ECLI:NL:GHAMS:2026:2073
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing vordering tot herroeping verstekvonnis
Appellant heeft bij dagvaarding van 16 maart 2026 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 december 2025, waarin de vordering tot herroeping van een verstekvonnis uit 2013 was afgewezen wegens overschrijding van de termijn.
De rechtbank had eerder bij verstekvonnis van 18 juni 2025 het oorspronkelijke verstekvonnis herroepen, maar dit vonnis werd door geïntimeerde bestreden met verzet. Vervolgens wees de rechtbank de herroepingsvordering af omdat deze buiten de wettelijke termijn was ingesteld.
Het hof oordeelt dat op grond van artikel 388 lid 2 Rv Pro een beslissing over de heropening van het geding niet vatbaar is voor hoger beroep, ook niet wanneer de vordering tot herroeping wordt afgewezen. Het verzoek van appellant om de zaak naar de Hoge Raad te verwijzen op grond van artikel 73 Rv Pro wordt afgewezen, omdat deze bepaling niet van toepassing is op niet-ontvankelijkheid maar op onbevoegdheid.
Het hof veroordeelt appellant in de proceskosten en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Het hoger beroep wordt derhalve niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek tot verwijzing naar de Hoge Raad wordt afgewezen.
Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de afwijzing van de vordering tot herroeping en veroordeeld in de proceskosten.