ECLI:NL:GHAMS:2026:2075
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens niet-naleving inschrijvingsvereiste bij verkoop woning in echtscheidingsprocedure
Appellant is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de voorzieningenrechter in een echtscheidingsprocedure waarin hij werd veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van de gezamenlijke woning. De voorzieningenrechter had bepaald dat bij het niet-verlenen van medewerking het vonnis in de plaats treedt van de benodigde wilsverklaring van appellant voor de verkoop en levering van de woning.
Volgens artikel 3:301 lid 2 BW Pro moet een hoger beroep tegen een uitspraak die in de plaats treedt van een leveringsakte binnen acht dagen worden ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Het hof constateert dat appellant deze inschrijving niet heeft verricht. Hoewel appellant betoogt dat het inschrijvingsvereiste slechts ziet op een beperkt deel van het vonnis, oordeelt het hof dat alle grieven betrekking hebben op dat gedeelte dat in de plaats treedt van de leveringsakte.
Appellant voert verder aan dat de inschrijvingseis niet geldt omdat de betrouwbaarheid van de openbare registers niet in het geding is, maar dit wordt verworpen. Ook andere argumenten, waaronder een beroep op artikel 6 EVRM Pro, leiden niet tot een andere uitkomst.
Het hof verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep en compenseert de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens niet-naleving van het inschrijvingsvereiste bij de verkoop van de gezamenlijke woning.