ECLI:NL:GHAMS:2026:2075

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
200.364.409
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 BWArt. 3:301 lid 2 BWArt. 433 RvArt. 351 RvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens niet-naleving inschrijvingsvereiste bij verkoop woning in echtscheidingsprocedure

Appellant is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de voorzieningenrechter in een echtscheidingsprocedure waarin hij werd veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van de gezamenlijke woning. De voorzieningenrechter had bepaald dat bij het niet-verlenen van medewerking het vonnis in de plaats treedt van de benodigde wilsverklaring van appellant voor de verkoop en levering van de woning.

Volgens artikel 3:301 lid 2 BW Pro moet een hoger beroep tegen een uitspraak die in de plaats treedt van een leveringsakte binnen acht dagen worden ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Het hof constateert dat appellant deze inschrijving niet heeft verricht. Hoewel appellant betoogt dat het inschrijvingsvereiste slechts ziet op een beperkt deel van het vonnis, oordeelt het hof dat alle grieven betrekking hebben op dat gedeelte dat in de plaats treedt van de leveringsakte.

Appellant voert verder aan dat de inschrijvingseis niet geldt omdat de betrouwbaarheid van de openbare registers niet in het geding is, maar dit wordt verworpen. Ook andere argumenten, waaronder een beroep op artikel 6 EVRM Pro, leiden niet tot een andere uitkomst.

Het hof verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep en compenseert de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens niet-naleving van het inschrijvingsvereiste bij de verkoop van de gezamenlijke woning.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.364.409/01 KG
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/371738 / KG ZA 25-727
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 juli 2026
inzake
[appellant],
wonend te [plaats 1] , gemeente Dijk en Waard
appellant,
advocaat: mr. A.M. Koopman te Alkmaar,
tegen
[geïntimeerde],
wonend te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. S. Kandemir te Dordrecht.

1.Het geding in hoger beroep

Appellant is bij dagvaarding van 21 januari 2026 in hoger beroep gekomen van het tussen partijen onder bovengenoemd zaaknummer gewezen vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland van 30 december 2025.
De appeldagvaarding, met een productie, bevat de grieven en een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis ex artikel 351 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
De zaak is aangebracht op de rol van 3 februari 2026. Op deze datum heeft appellant overeenkomstig voormeld exploot geconcludeerd en genoemde productie in het geding gebracht.
Bij rolbeslissing van 3 februari 2026 is appellant in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep en is bepaald dat geïntimeerde bij akte zal mogen reageren.
Appellant heeft op de rol van 3 maart 2026 een dergelijke akte genomen.
Op de rol van 31 maart 2026 heeft geïntimeerde geen antwoordakte genomen en is verval verleend van het recht van geïntimeerde daarop. Om die reden wordt het door haar op 20 april 2026 ingediende H16-formulier, waarin zij zich alsnog uitlaat over de ontvankelijkheidsvraag, buiten beschouwing gelaten.
Arrest is nader bepaald op heden.

2.Beoordeling

2.1.
Partijen zijn echtgenoten. Bij de rechtbank Noord-Holland is tussen hen een echtscheidingsprocedure aanhangig. Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter, kort gezegd en voor zover thans van belang:
- appellant veroordeeld om binnen drie weken na betekening van het vonnis een opdracht aan een makelaar te geven om de gezamenlijke woning van partijen in [plaats 1] (hierna: de woning) te verkopen, waarbij geïntimeerde eerst drie namen van makelaars aan appellant doorgeeft en appellant binnen een week daarna daaruit één makelaar dient te kiezen,
- appellant veroordeeld tot, na betekening van het vonnis, het verlenen van zijn onmiddellijke en onvoorwaardelijke medewerking en het verrichten van alle noodzakelijke handelingen ten behoeve van de verkoop van de woning, op straffe van verbeurte van een dwangsom,
- bepaald dat, indien appellant die opgedragen medewerking aan de verkoop en/of levering niet binnen 48 uur na een daartoe strekkend verzoek van geïntimeerde verleent, het vonnis in de plaats zal treden van de benodigde rechtshandeling en/of wilsverklaring van appellant ter ondertekening van de verkoopopdracht aan de makelaar, de koopovereenkomst en/of de akte van levering.
De hiervoor weergegeven beslissingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.2.
In dit geval kan het dictum van het bestreden vonnis niet anders worden begrepen dan dat de voorzieningenrechter daarin heeft bepaald dat – indien appellant niet (tijdig) meewerkt aan de levering van de woning aan geïntimeerde – de uitspraak in de plaats treedt van een deel van de leveringsakte, namelijk van de in de leveringsakte vereiste (wils)verklaring van appellant. Appellant heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die tot een andere uitleg leiden. De voorzieningenrechter heeft dus toepassing gegeven aan artikel 3:300 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.3.
Op grond van artikel 3:301 lid 2 BW Pro moet het hoger beroep, indien de rechter in eerste aanleg heeft bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of een deel daarvan, binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel worden ingeschreven in het in artikel 433 Rv Pro bedoelde register (het rechtsmiddelenregister). De niet-tijdige inschrijving leidt tot niet-ontvankelijkheid voor zover wordt opgekomen tegen oordelen die betrekking hebben op dat gedeelte van de bestreden uitspraak dat blijkens het dictum in de plaats treedt van de tot levering bestemde akte en daarmee onlosmakelijk verbonden oordelen.
2.4.
Het hof stelt vast dat het hoger beroep niet is ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Appellant voert aan dat dit vereiste slechts op een beperkt gedeelte van het bestreden vonnis ziet (de levering), zodat hij in ieder geval ontvankelijk is in zijn hoger beroep voor zover dat zich tegen de overige oordelen van de voorzieningenrechter richt. Het hof ziet dit anders. Uit de grieven van appellant blijkt volgens het hof dat alle oordelen waartegen door hem wordt opgekomen betrekking hebben op dat gedeelte van de bestreden uitspraak dat blijkens het dictum in de plaats treedt van de tot levering bestemde akte of – waar het de (medewerking van appellant aan) verkoop van de woning betreft – daarmee onlosmakelijk zijn verbonden.
2.5.
Verder voert appellant aan dat hier de inschrijvingseis niet geldt, omdat de betrouwbaarheid van de openbare registers niet in het geding is. De stelling van appellant dat geïntimeerde niet binnen drie weken na betekening van het vonnis drie namen van makelaars aan hem heeft doorgegeven, leidt echter, ook als rekening wordt gehouden met de termijn van een week waarbinnen appellant medewerking zou moeten verlenen, niet tot die conclusie. Daarmee stond immers op het moment waarop het rechtsmiddel werd aangewend niet vast dat het bestreden vonnis niet nog in de plaats van (een deel van) de akte van levering kon treden. Anders dan appellant lijkt te veronderstellen, doet niet ter zake dat ten gevolge van de door hem gestelde vertraging in het verkooptraject die indeplaatstreding kennelijk niet meer kon plaatsvinden vóór de datum van de dagvaarding in hoger beroep.
2.6.
Dit betekent dat appellant niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen.
De door appellant aangedragen argumenten dat het rechtsmiddelenregister geen reële rechtszekerheidsfunctie vervult, dat hij (gelet daarop) onevenredig wordt getroffen door de sanctie van niet-ontvankelijkheid, dat de inschrijvingseis een relatief onbekende formaliteit bij een niet-alledaagse procedure is en dat hij bij een eventuele verkoop alle betrokkenen op de hoogte zal stellen van het bestreden vonnis, het daartegen ingestelde hoger beroep en de bodemprocedure, kunnen, wat daarvan verder ook zij, niet tot een andere beslissing leiden. Voor zijn beroep op artikel 6 EVRM Pro geldt hetzelfde.
2.7.
Bij deze stand van zaken behoeft de incidentele vordering van appellant tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis geen bespreking meer.
2.8.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.Beslissing

Het hof:
verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;
compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij daarvan de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, J.W. Hoekzema en A.R. Sturhoofd en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.