ECLI:NL:GHAMS:2026:299

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
200.362.326
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 339 lid 1 RvArt. 337 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen onbevoegdverklaring rechtbank inzake onrechtmatige exploitatie naburige rechten

Appellante, Modern Entertainment B.V., stelde hoger beroep in tegen vonnissen van de rechtbank Amsterdam waarin de rechtbank zich onbevoegd verklaarde kennis te nemen van bepaalde vorderingen die zien op onrechtmatige exploitatie van naburige rechten buiten Nederland en de daaraan verbonden schade. Het hof oordeelde dat het hoger beroep tegen het vonnis van 15 januari 2025 niet tijdig was ingesteld voor zover het een eindvonnis betreft, omdat de appeltermijn van drie maanden was overschreden.

De rechtbank had in het incident een eindvonnis gewezen door zich onbevoegd te verklaren ten aanzien van de genoemde vorderingen, waarmee het geding over die vorderingen werd afgesloten. Het hof verwierp het betoog van appellante dat dit vonnis als tussenvonnis moest worden aangemerkt en dat de termijn daarom niet was gaan lopen.

Appellante voerde aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was omdat zij niet kon weten dat het vonnis een eindvonnis was, maar het hof oordeelde dat dit voldoende duidelijk was uit het vonnis. Daarom werd appellante niet-ontvankelijk verklaard voor het hoger beroep tegen die beslissingen. Voor het overige werd het hoger beroep ontvankelijk verklaard en verwees het hof de zaak naar de rol voor het nemen van een memorie van grieven.

Uitkomst: Appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep tegen de onbevoegdverklaring van de rechtbank voor bepaalde vorderingen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.362.326/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/759630 / HA ZA 24-1257
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 februari 2026
inzake
MODERN ENTERTAINMENT B.V.,
gevestigd te Hauwert, gemeente Medemblik,
appellante,
advocaat: mr. R. van Dongen te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonend te [plaats] (Spanje),
geïntimeerde,
niet verschenen.

1.Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 21 oktober 2025 heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van de rechtbank Amsterdam die op 15 januari 2025 en 23 juli 2025 onder bovengenoemd zaak- en rolnummer tussen partijen zijn gewezen.
Appellante heeft de zaak aangebracht op de rol van 9 december 2025.
Tegen geïntimeerde is op die roldatum verstek verleend.
Bij rolbeslissing van 11 december 2025 is appellante in de gelegenheid gesteld zich op de rol van 23 december 2025 bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep en is bepaald dat geïntimeerde, indien hij verschijnt, op een termijn van twee weken bij antwoordakte daarop zal mogen reageren.
Appellante heeft zich, na een aanhouding van twee weken in verband met de feestdagen, op de rol van 6 januari 2026 bij akte uitgelaten over de ontvankelijkheid.
Arrest is bepaald op heden.

2.Beoordeling

2.1.
In artikel 339 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de termijn van beroep bepaald op drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis. Tegen de bestreden vonnissen van 15 januari 2025 en 23 juli 2025 is op 21 oktober 2025 hoger beroep ingesteld. Daarmee heeft appellante wat betreft het bestreden vonnis in incident van 15 januari 2025 niet tijdig, want na de appeltermijn van drie maanden, hoger beroep ingesteld, voor zover dat vonnis een eindvonnis is.
2.2.
De rechtbank heeft zich bij het bestreden vonnis in incident onbevoegd verklaard kennis te nemen van de vorderingen onder C en onder F tot en met L van het petitum van de dagvaarding, voor zover deze vorderingen zien op de gestelde onrechtmatige exploitatie van de naburige rechten van appellante buiten het Nederlands grondgebied en de schade die zij daardoor stelt te hebben geleden (5.1), en van de vorderingen onder A en B van het petitum van de dagvaarding (5.2). In zoverre is het bestreden vonnis in incident een eindvonnis. Met deze beslissingen heeft de rechtbank immers een einde gemaakt aan het geding wat betreft de vorderingen onder C en onder F tot en met L, voor zover deze vorderingen zien op de gestelde onrechtmatige exploitatie van de naburige rechten van appellante buiten het Nederlands grondgebied en de schade die zij daardoor stelt te hebben geleden, en de vorderingen onder A en B.
2.3.
De enkele omstandigheid dat een einduitspraak in een in de hoofdzaak opgeworpen incident is gedaan, maakt, anders dan appellante betoogt, niet dat dat in het incident gewezen vonnis als een (zuiver) tussenvonnis moet worden aangemerkt, waarvan op grond van artikel 337 lid 2 Rv Pro uitsluitend tegelijk met het eindvonnis hoger beroep kan worden ingesteld. Dit volgt ook niet uit de uitspraken van de Hoge Raad waarnaar appellante in haar akte verwijst. Zo verwijst zij naar twee uitspraken waarin de rechter een beroep op zijn onbevoegdheid heeft
verworpen, hetgeen wél een tussenvonnis is omdat met die beslissing geen einde wordt gemaakt aan (een deel van) het geschil.
2.4.
Appellante heeft nog aangevoerd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat zij niet wist of kon weten dat het bestreden vonnis in incident een (gedeeltelijk) eindvonnis is – het vonnis biedt daartoe onvoldoende aanknopingspunten – en daarmee ook niet dat de appeltermijn direct aanving. Deze stelling faalt. In het vonnis van 15 januari 2025 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van een deel van de vorderingen, het meer of anders in het incident gevorderde afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. Daarmee was voldoende duidelijk dat ten aanzien van een deel van het gevorderde een einduitspraak is gedaan. Niet gezegd kan worden dat appellante buiten haar schuld niet op de hoogte was en redelijkerwijs ook niet kon zijn van het tijdstip van aanvang en einde van de appeltermijn. Appellante zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de beslissingen van de rechtbank om zich onbevoegd te verklaren onder 5.1 en 5.2 van het dictum.
2.5.
Voor het overige kan appellante in haar hoger beroep worden ontvangen en zal de zaak naar de rol worden verwezen voor het nemen van een memorie van grieven door haar.

3.De beslissing

Het hof:
verklaart appellante niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de beslissingen van de rechtbank om zich onbevoegd te verklaren onder 5.1 en 5.2 van het dictum van het vonnis in het incident van 15 januari 2025;
verwijst de zaak naar de rol van 17 maart 2026 voor het nemen van een memorie van grieven door appellante;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, J.W. Hoekzema en A.R. Sturhoofd en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.