ECLI:NL:GHAMS:2026:359

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
200.358.108/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep vervangende toestemming verhuizing minderjarige met benoeming bijzondere curator

De zaak betreft een geschil tussen ouders over de verhuizing van hun minderjarige kind naar een andere plaats en de inschrijving op een school aldaar. De rechtbank had het verzoek van de moeder om vervangende toestemming voor verhuizing en schoolinschrijving afgewezen, evenals het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats bij hem te bepalen indien de verhuizing toch plaatsvindt.

In hoger beroep handhaaft de moeder haar verzoeken en verzoekt de vader om afwijzing van deze verzoeken en om toewijzing van zijn verzoek tot wijziging hoofdverblijfplaats. Het hof heeft de belangen van het kind centraal gesteld en geconstateerd dat de huidige co-ouderschapsregeling door de afstand tussen de woonplaatsen niet meer uitvoerbaar zal zijn, wat de rol van een ouder in het leven van het kind beperkt.

Gezien de tegengestelde belangen van het kind en de ouders en het kantelpunt in het leven van het kind (overgang basisschool naar middelbare school), acht het hof het noodzakelijk een bijzondere curator te benoemen. Deze curator zal onderzoek doen naar het belang van het kind bij verhuizing en een advies uitbrengen. De beslissing wordt aangehouden totdat het onderzoek is afgerond.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot vervangende toestemming verhuizing af en benoemt een bijzondere curator om het belang van het kind te onderzoeken.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.358.108/01
zaaknummer rechtbank: C/13/766351 / FA RK 25-2042
beschikking van de meervoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. M. Krijger te Middelburg,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. R.A.C.M. Jansen te Rotterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] , geboren [in] 2014 te [plaats C] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag,
locatie: Amsterdam,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de vraag of [minderjarige 1] met de moeder mee mag verhuizen naar [plaats D] en of de moeder [minderjarige 1] daar mag inschrijven op een school. De rechtbank heeft de verzoeken van de moeder daartoe afgewezen.
De moeder is het daar niet mee eens en wil dat haar verzoeken alsnog worden toegewezen. De vader is het wel eens met de bestreden beschikking en verzoekt - voor het geval de moeder toch naar [plaats D] verhuist - dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij hem zal worden bepaald.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 15 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van
15 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
2.2
De vader heeft op 23 oktober 2025 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De moeder heeft op 8 december 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 6 januari 2026 met bijlage (bijlage G);
- een bericht van de zijde van de vader van 14 januari 2026 (stelbrief mr. Jansen).
2.5
De voorzitter heeft op 13 januari 2026 met [minderjarige 1] gesproken.
2.6
De zitting heeft op 16 januari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de stiefvader;
- de raad, vertegenwoordigd door V. Aelbers.
De advocaat van de moeder heeft op de zitting pleitaantekeningen overgelegd.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige 1] . De ouders hebben tot eind 2015 een relatie met elkaar gehad. Zij oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige 1] . [minderjarige 1] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder en er is een co-ouderschapsregeling, die inhoudt dat [minderjarige 1] de ene week van maandag tot donderdagochtend naar school bij de moeder verblijft en vervolgens van donderdagmiddag uit school tot zondagmiddag bij de vader. De andere week verblijft hij van zondagmiddag tot woensdag naar school bij de moeder en van woensdag uit school tot vrijdag naar school bij de vader, waarna hij op vrijdagmiddag weer naar de moeder gaat.
3.2
De moeder heeft sinds 9 mei 2022 een geregistreerd partnerschap met de stiefvader en zij hebben samen twee kinderen ( [minderjarige 2] van zes jaar en [minderjarige 3] van drie jaar). De vader heeft inmiddels ook een nieuwe partner, waarmee hij twee kinderen heeft gekregen ( [minderjarige 4] van vier jaar en [minderjarige 5] van één jaar).
3.3
Bij beschikking van 17 mei 2017 van de rechtbank is - voor zover hier van belang -:
- de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de moeder vastgesteld;
- de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen aldus bepaald:
  • zolang [minderjarige 1] nog niet (op donderdag of vrijdag) naar de (voor)school gaat, de vader [minderjarige 1] bij zich heeft van woensdag 13.00 uur tot zaterdag 16.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige 1] bij de vader brengt en ophaalt; en
  • vanaf de datum dat [minderjarige 1] (op donderdag of vrijdag) naar de (voor)school gaat, hij de ene week van donderdagmiddag uit school tot zondag 16.00 uur bij de vader verblijft en de andere week van donderdagmiddag uit school tot zaterdagmiddag 16.00 uur, alsmede de helft van de schoolvakanties en de feestdagen in onderling overleg tussen partijen te verdelen, waarbij de vader [minderjarige 1] op donderdag uit school haalt en de moeder [minderjarige 1] op zaterdag dan wel zondagmiddag bij de vader ophaalt.
3.4
Op 7 november 2020 hebben partijen een ouderschapsplan ondertekend. Uit dit
ouderschapsplan volgt (voor zover hier van belang):
-
"Artikel 2.3. Ouders zijn overeengekomen binnen een straal van 30 kilometer van de school
woonachtig te zijn, teneinde de omgangsregeling en het gedeelde ouderschap zo goed mogelijk te kunnen uitoefenen.( ... )
-
Artikel 2.7.
Bij een voorgenomen verhuizing zullen de ouders vooraf met elkaar in overleg treden. Uitgangspunt daarbij is dat de ouders binnen een straal van maximaal 30 kilometers van de school blijven wonen om de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken niet ernstig te verstoren. Waarbij uitgangspunt is het kind op te laten groeien in hun huidige leefomgeving, [gemeente] , dan wel een andere basisschool in de nabije omgeving".

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de verzoeken van de moeder om aan haar vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige 1] naar [plaats D] te verhuizen en hem op één van de drie scholen (te weten de [school 1] , [school 2] of [school 3] ) in te schrijven, afgewezen.
Ook heeft de rechtbank het voorwaardelijk zelfstandig verzoek van de vader om te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij hem wordt bepaald op het moment dat de moeder toch naar [plaats D] verhuist, afgewezen.
4.2
De moeder verzoekt
in het principaal hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking, alsnog haar inleidende verzoeken toe te wijzen.
4.3
De vader verzoekt
in het principaal hoger beroepom de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek althans dit verzoek af te wijzen.
In het incidenteel hoger beroepverzoekt hij om, met gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat [minderjarige 1] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben met ingang van het moment dat de moeder naar [plaats D] verhuist.
4.4
De moeder verzoekt
in het incidenteel hoger beroepde vader niet-ontvankelijk te verklaren dan wel zijn verzoek af te wijzen.
4.5
De moeder heeft bij aanvullend (voorwaardelijk) verzoek verzocht om - indien en voor zover het hof de primaire verzoeken van de vrouw afwijst, het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep van de man honoreert en het hoofdverblijf van [minderjarige 1] met ingang van de datum waarop de vrouw naar [plaats D] verhuist bij de man bepaalt – de in het ouderschapsplan opgenomen zorgregeling te wijzigen in die zin dat tussen haar en [minderjarige 1] primair de volgende zorgregeling zal gelden:
- [minderjarige 1] is gedurende drie opeenvolgende weekenden per vier weken bij de
moeder van vrijdag 15.00 uur tot zondag 20.00 uur, waarbij zij het halen en
brengen voor haar rekening neemt;
- de mei- en kerstvakantie worden bij helfte verdeeld, waarbij iedere ouder
een week vakantie met [minderjarige 1] viert;
- de zomervakantie wordt bij helfte verdeeld, zoals dit thans ook het geval
is;
- de overige vakanties is [minderjarige 1] van zaterdag 09.00 uur tot woensdagochtend
9
uur bij de vader en van woensdagochtend 09.00 uur tot zondag 20.00
uur bij de moeder, en;
- de moeder zorgt ervoor dat [minderjarige 1] in één van haar zorgweekenden kan
voetballen,
dan wel meer subsidiair een zodanige zorgregeling te bepalen die het hof juist acht.

5.De motivering van de beslissing

Positie stiefvader
5.1
Namens de moeder is verzocht om de stiefvader als belanghebbende in deze procedure aan te merken. Belanghebbende is degene die door de beslissing in deze zaak rechtstreeks in zijn belangen wordt getroffen. Nu de stiefvader niet de biologische vader van [minderjarige 1] is, en ook niet het gezag over hem heeft, wordt hij in zijn belangen niet
rechtstreeksgetroffen. Het hof merkt hem dan ook niet aan als belanghebbende, maar als informant.
Het wettelijk kader
5.2
Uit artikel 1:253a, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter kunnen worden voorgelegd. De rechter dient in geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van vaste rechtspraak dient de rechter bij de beslissing over een geschil als het onderhavige niet alleen het belang van het kind, maar alle omstandigheden van het geval in ogenschouw te nemen en alle belangen af te wegen. Het belang van het kind staat daarbij voorop en dient een overweging van de eerste orde te zijn. Dat neemt niet weg dat, afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, andere belangen zwaarder kunnen wegen.
De standpunten
5.3
De moeder meent dat de rechtbank ten onrechte haar verzoeken om vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige 1] naar [plaats D] te verhuizen en om hem in te schrijven op een school aldaar, heeft afgewezen. De rechtbank heeft de ernst van de heimweeklachten van de stiefvader en de problematiek die dat meebrengt voor het gezin van de moeder onderschat, aldus de moeder. Haar eigen PTSS-problematiek zal niet verdwijnen met een verhuizing naar [plaats D] , maar voor die problematiek is een stabiel gezin en een partner waar je op kan terugvallen nodig. Omdat de situatie voor de stiefvader onhoudbaar werd, is de stiefvader inmiddels met hun twee kinderen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar [plaats D] verhuisd. Moeder is met [minderjarige 1] in [plaats A] blijven wonen en pendelt heen en weer tussen [plaats A] en [plaats D] . Het gaat nu beter met de stiefvader, maar deze situatie eist zijn tol binnen het gezin. De moeder en stiefvader zouden [minderjarige 1] een stabielere opvoedomgeving kunnen bieden op het moment dat hij met de moeder mee mag verhuizen naar [plaats D] . De moeder benadrukt dat op het moment dat de huidige co-ouderschapsregeling zou worden vervangen door een zorgregeling waarbij [minderjarige 1] doordeweeks in [plaats D] zal zijn en in de meeste weekenden en een groot deel van de schoolvakanties bij de vader zou verblijven, [minderjarige 1] effectief meer tijd met zijn vader zou doorbrengen dan nu het geval is. Daarnaast is moeder bereid om inspanningen te verrichten om de vader en zijn huidige gezin te laten meeverhuizen naar [plaats D] of omgeving. De moeder zou zich kunnen vinden in het benoemen van een bijzondere curator voor [minderjarige 1] in deze procedure, waarbij haar voorkeur uitgaat naar een orthopedagoog. Dit heeft volgens moeder de voorkeur boven een verkort raadsonderzoek.
5.4
De vader is het eens met de beslissing van de rechtbank. De vader betwist dat de heimweeproblematiek en de vermeende mentale problematiek van de moeder een noodzaak opleveren voor een verhuizing van [minderjarige 1] naar [plaats D] . De huidige partner van de vader heeft ook concessies moeten doen en zich moeten toeleggen op een leven in de omgeving van [plaats A] en de vraag is waarom dit niet ook zou gelden voor het gezin van de moeder. Het is in het belang van [minderjarige 1] dat de situatie blijft zoals hij nu is, te weten twee ouders die dichtbij elkaar wonen en een co-ouderschapsregeling. Een verhuizing van [minderjarige 1] naar [plaats D] zal de quality-time tussen hem en de vader flink beperken en indien de moeder zonder [minderjarige 1] naar [plaats D] verhuist, zal dat de quality-time tussen hem en de moeder beperken. Bovendien heeft [minderjarige 1] inmiddels de leeftijd dat hij in de weekenden ook met zijn schoolvrienden zal willen afspreken, hetgeen de zorgregeling met de andere ouder geheid onder druk zal zetten. De vader denkt dat het in [minderjarige 1] belang is dat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt in deze procedure. Het benoemen van een bijzondere curator zal er voor zorgen dat er nog enige tijd onduidelijkheid zal zijn voor [minderjarige 1] en bovendien zal hij dan opnieuw in gesprek moeten met iemand. Benoeming van een bijzondere curator in de vorm van een orthopedagoog heeft voor de vader wel de voorkeur boven een (verkort) raadsonderzoek, mocht het hof nader onderzoek nodig vinden.
Het advies van de raad
5.5
De raad heeft zich ter zitting in hoger beroep onthouden van het geven van een concreet advies omtrent de vraag of aan de moeder al dan niet vervangende toestemming zou moeten worden verleend om met [minderjarige 1] naar [plaats D] te verhuizen en hem aldaar naar school te laten gaan. De raad benadrukt dat [minderjarige 1] zich een zelfstandig beeld moet kunnen vormen van zijn beide ouders. Tot nu toe hebben de ouders dit goed ingevuld door de co-ouderschapsregeling, maar daar gaat hoe dan ook verandering in komen omdat de verwachting is dat de moeder - ongeacht de beslissing van het hof - naar [plaats D] zal verhuizen. Er is volgens de raad bij [minderjarige 1] sprake van tegengestelde belangen. Bovendien bevindt hij zich gelet op zijn leeftijdsfase op een kantelpunt: hij rondt dit jaar de basisschool af en start na de zomer op een middelbare school. Ten aanzien van de vraag of er een bijzondere curator voor [minderjarige 1] moet worden benoemd, merkt de raad op dat dit tijd zal kosten en dat [minderjarige 1] hiermee langer in onzekerheid zal blijven over de vraag waar hij het komende jaar zal gaan wonen en naar school zal gaan. Ook roept het de vraag op of [minderjarige 1] niet onbedoeld mede verantwoordelijk wordt gemaakt voor de beslissing op het moment dat een bijzondere curator hem een stem zal geven in de procedure. Een verkort raadsonderzoek behoort vanwege capaciteitsproblemen niet tot de mogelijkheden, aldus de raad.
De beoordeling door het hof
5.6
Het hof overweegt als volgt.
Sinds het uiteengaan van de ouders eind 2015 is er sprake van een nagenoeg gelijke verdeling van de zorg- en opvoedtaken voor [minderjarige 1] tussen de ouders, neergelegd in een ouderschapsplan. Dit maakt dat [minderjarige 1] wekelijks meerdere dagen achter elkaar bij de ene ouder en vervolgens meerdere dagen achter elkaar bij de andere ouder verblijft en dat beide ouders een actieve rol hebben in zijn leven. Op enig moment zijn beide ouders een nieuwe duurzame relatie aangegaan, wat ertoe heeft geleid dat [minderjarige 1] in beide gezinnen een broertje en een zusje erbij heeft gekregen. De wens van de moeder om naar [plaats D] te verhuizen wordt hoofdzakelijk ingegeven doordat de stiefvader last heeft gekregen van heimweeproblematiek. Inmiddels is gebleken dat hij ook daadwerkelijk naar [plaats D] is verhuisd met hun twee kinderen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , waardoor de moeder nu heen en weer pendelt tussen [plaats A] , waar ze alleen de zorg heeft voor [minderjarige 1] , en [plaats D] waar de rest van haar gezin nu woont. De moeder heeft ter zitting in hoger beroep desgevraagd aangegeven dat het voor haar een moeilijke situatie zou zijn als [minderjarige 1] niet naar [plaats D] zou kunnen meeverhuizen. De situatie zet haar gezin (waaronder zij ook [minderjarige 1] begrijpt) onder grote druk, zodat zij zelf het liefst naar [plaats D] zou verhuizen (het liefst samen met [minderjarige 1] ) om niet wederom in een situatie terecht te komen waarin een breuk gevreesd moet worden. Aangenomen moet worden dat de huidige co-ouderschapsregeling rondom [minderjarige 1] vanaf het moment van de verhuizing (ongeacht of [minderjarige 1] mee verhuist of niet) niet meer uitgevoerd zal kunnen worden. De reisafstand tussen [plaats A] en [plaats D] heeft dan tot gevolg dat er alleen nog sprake zal kunnen zijn van een weekend- en vakantieregeling tussen [minderjarige 1] en een van de ouders, hetgeen betekent dat de rol van die ouder in [minderjarige 1] leven ingeperkt zal worden.
In het kindgesprek met de voorzitter op 13 januari 2026 heeft [minderjarige 1] aangegeven hoe hij tegenover een verhuizing met zijn moeder naar [plaats D] staat. [minderjarige 1] heeft daarbij uitdrukkelijk aangegeven dat hij niet wil dat de inhoud van dit gesprek met zijn ouders wordt gedeeld. Dit brengt met zich dat het hof de inhoud van het gesprek in deze procedure buiten beschouwing zal moeten laten.
5.7
Het hof acht zich op basis van de stukken, hetgeen is besproken tijdens de zitting in hoger beroep en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de inhoud van het kindgesprek met [minderjarige 1] nog onvoldoende geïnformeerd om een goede beslissing te kunnen nemen waar het gaat over de vraag of een verhuizing van de moeder met [minderjarige 1] naar [plaats D] al dan niet in het belang van [minderjarige 1] is. Alhoewel het belang van [minderjarige 1] niet het enige element is dat in de afweging betrokken dient te worden, vormt het wel een zeer belangrijk gezichtspunt in de afweging die het hof dient te maken, zeker nu [minderjarige 1] zich in een fase van zijn leven bevindt waarin sprake is van een kantelpunt, te weten de overgang van basisschool naar middelbare school.
Nu er sprake is van een situatie waarin de belangen van [minderjarige 1] (deels) tegengesteld zijn aan de belangen van de ouders, is het hof van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk is om een bijzondere curator te benoemen. Een bijzondere curator kan [minderjarige 1] in deze procedure vertegenwoordigen en in het kader van die taak onderzoek verrichten naar de vraag of een verhuizing van [plaats A] naar [plaats D] in [minderjarige 1] belang is, op een manier dat hij daardoor zo min mogelijk wordt belast. De bijzondere curator dient hiertoe gesprekken te voeren met [minderjarige 1] en met beide ouders en een schriftelijk verslag uit te brengen van zijn of haar bevindingen en daarbij tevens een standpunt over het verzoek in te nemen. Het hof realiseert zich dat het onderzoek van de bijzondere curator enige tijd in beslag gaat nemen, waardoor het hof mogelijk pas een beslissing kan nemen in deze zaak nadat de termijn is verstreken waarop [minderjarige 1] zich moet hebben ingeschreven op een middelbare school. Echter, omdat het in deze zaak gaat om een ingrijpende beslissing die bepalend zal zijn voor waar [minderjarige 1] de komende jaren verder zal opgroeien, is het hof van oordeel dat de noodzaak voor het benoemen van een bijzondere curator die [minderjarige 1] een stem en zicht op zijn belang kan geven in de procedure en het hof van advies kan voorzien, prevaleert boven het op korte termijn geven van duidelijkheid aan [minderjarige 1] en de ouders door middel van een eindbeslissing. Het hof raadt de ouders dan ook aan om [minderjarige 1] na oriëntatie zowel in de omgeving van [plaats A] als in [plaats D] in te schrijven op een middelbare school van zijn keuze.
5.8
Het hof is voornemens mevrouw drs. [curator] (pedagoge), gevestigd aan de [adres] , tot bijzondere curator te benoemen. Zij heeft zich (telefonisch) bereid verklaard deze taak op zich te nemen en uiterlijk eind april 2026 verslag uit te kunnen brengen. Het hof is voornemens de volgende vragen aan de bijzondere curator voor te leggen:
a. wat is de mening van [minderjarige 1] ten aanzien van een verhuizing naar [plaats D] ?
b. kan [minderjarige 1] , gelet op zijn leeftijd, de gevolgen van al dan niet verhuizen naar [plaats D] voldoende overzien?
c. wat betekent een verhuizing naar [plaats D] op de lange termijn voor [minderjarige 1] in het contact met de vader?
d. wat betekent het als [minderjarige 1] niet naar [plaats D] verhuist op de lange termijn voor [minderjarige 1] in het contact met de moeder?
e. wat is de visie van de bijzondere curator op de impact die een verhuizing naar [plaats D] op [minderjarige 1] zal hebben tegenover de impact als [minderjarige 1] niet naar [plaats D] verhuist?
f. zijn er nog andere relevante factoren waar naar de mening van de bijzondere curator rekening mee dient te worden gehouden?
5.9
Het hof zal de ouders in de gelegenheid stellen zich binnen twee weken na heden schriftelijk over de benoeming van mevrouw [curator] en de voorgestelde vragen uit te laten.
5.1
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6.De beslissing

Het hof:
alvorens verder te beslissen:
stelt de ouders in de gelegenheid zich uiterlijk 24 februari 2026 schriftelijk uit te laten over het voornemen van het hof om mevrouw drs. [curator] , gevestigd aan de [adres] tot bijzondere curator over [minderjarige 1] te benoemen en zich tevens uit te laten over de voorgestelde onderzoeksvragen, zoals genoemd in 5.7, onder toezending van een afschrift van die reactie aan de wederpartij;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. T.M. Subelack en
mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 10 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.