ECLI:NL:GHAMS:2026:361

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
200.358.981/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De zaak betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling van een vierjarige minderjarige, die sinds juni 2023 onder toezicht staat vanwege ernstige ontwikkelingsbedreiging door conflicten tussen de ouders. De moeder betwist de verlenging en stelt dat de situatie verbeterd is en dat hulpverlening ook vrijwillig kan plaatsvinden. De gecertificeerde instelling (GI) en de vader steunen de verlenging.

De kinderrechter had de ondertoezichtstelling reeds verlengd tot 28 juni 2026. De moeder kwam in hoger beroep, maar het hof oordeelt dat de ernstige bedreiging nog steeds aanwezig is. De ouders zijn niet in staat om zelfstandig afspraken te maken over de verzorging en opvoeding van de minderjarige, ondanks inzet van hulpverlening via Levvel Bemiddelt. De moeder heeft bovendien het vertrouwen in de GI verloren door eerdere fouten en nalatigheden.

Het hof stelt vast dat de minderjarige nog steeds tussen de conflicten van de ouders staat en dat zorgelijke signalen aanwezig zijn, ondanks dat deze niet altijd zichtbaar zijn tijdens observaties. De GI moet betrokken blijven om zicht te houden op de situatie. Het hof bekrachtigt daarom de verlenging van de ondertoezichtstelling en wijst het hoger beroep van de moeder af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de ondertoezichtstelling tot 28 juni 2026 wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.358.981/01
zaaknummer rechtbank: C/15/364832/ JU RK 25-613
beschikking van de meervoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. F. Pool te Rotterdam,
en
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
gevestigd te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] ;
- [de vader] , hierna: de vader, advocaat: mr. C.S.M. Ruijgrok.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] (4 jaar).
1.2
De kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, (hierna: de kinderrechter) heeft in een beschikking van 18 juni 2025 (hierna: de bestreden beschikking) de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 28 juni 2026.
De moeder is het daar niet mee eens. De vader en de GI zijn het wel eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 9 september 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De GI heeft op 1 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
De vader heeft eveneens op 1 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.
2.4
Daarnaast heeft het hof een bericht ontvangen van de zijde van de moeder van 6 januari 2026, met bijlagen.
2.5
De zitting heeft op 14 januari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- twee vertegenwoordigers van de GI, en
- de raad, vertegenwoordigd door R. Bark.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder (hierna: de ouders) hebben van 2019 tot 2021 een affectieve relatie gehad en zij zijn de ouders van:
- [minderjarige] , geboren [in] 2021 te [plaats B] .
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .
3.2
[minderjarige] woont bij de vader.
3.3
Bij beschikking van 28 juni 2023 is [minderjarige] door de kinderrechter op verzoek van de raad onder toezicht gesteld van de GI tot 28 juni 2024. Deze ondertoezichtstelling is telkens verlengd, laatstelijk in de bestreden beschikking tot 28 juni 2026.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking, op verzoek van de GI, de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 28 juni 2026.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van de GI tot de verlenging van de ondertoezichtstelling, alsnog af te wijzen.
4.3
De GI verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4
De vader verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep, dan wel het hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Op grond van het bepaalde in artikel 1:260, eerste lid, in verband met artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
De standpunten
5.2
De moeder stelt zich op het standpunt dat niet voldaan is aan de gronden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] . Met [minderjarige] gaat het goed. Er is geen sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. De moeder erkent dat de communicatie tussen de ouders stroef verloopt en dat er spanningen zijn, maar daar heeft [minderjarige] geen last van. De ouders hebben nog hulp nodig, maar dat kan ook in een vrijwillig kader. Beide ouders staan open voor hulpverlening. Echter is, ondanks deze welwillendheid van de ouders, door de GI pas in augustus 2025 Levvel Bemiddelt in de vorm van Ouderschap Blijft (hierna: Levvel Bemiddelt) ingezet en dat gaat goed. De ouders zijn thans in staat om zelf afspraken over [minderjarige] te maken. De betrokkenheid van de GI heeft hierbij echter niet geholpen en alleen maar tot vertraging, verwarring en escalatie geleid. De GI heeft veel steken laten vallen. De moeder heeft bij de GI een drietal klachten ingediend tegen het handelen van de GI. Op 22 september 2025 is de moeder volledig in het gelijk gesteld door de klachtencommissie. Echter, na deze uitspraak van de klachtencommissie heeft de GI nagelaten haar handelen in de uitvoering van de ondertoezichtstelling aan te passen en is de GI ook niet het gesprek met de moeder aangegaan. De moeder heeft door deze handelwijze en opstelling van de GI geen enkel vertrouwen meer in de GI.
5.3
De GI is van mening dat de ondertoezichtstelling verlengd dient te worden. De ingezette hulpverlening is nog pril en de gestelde doelen ten aanzien van de verbetering van de communicatie tussen de ouders en het kunnen maken van afspraken over [minderjarige] , zijn nog niet voldoende behaald. Door de GI zijn in het verleden inderdaad fouten gemaakt en dat maakt de samenwerking met de moeder ingewikkeld, ondanks dat de destijds betrokken medewerkers inmiddels vervangen zijn. De GI wil graag proberen het vertrouwen van de moeder in de GI te herstellen. De GI heeft [minderjarige] nog niet gezien of gesproken, maar heeft wel positieve signalen ontvangen over hem vanuit zijn school.
5.4
De vader voert aan dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] en dat een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is. De ontwikkeling van [minderjarige] en de samenwerking tussen de ouders verloopt niet zo positief als door de moeder wordt geschetst. Levvel Bemiddelt is inmiddels gestart, maar de gezamenlijke gesprekken verlopen moeizaam. De vader ervaart dat de moeder intimiderend is en dat zij de regie in de gesprekken overneemt. De onderwerpen die de vader aan de orde wil stellen, met name het bespreken van zorgelijke kindsignalen die [minderjarige] laat zien, blijven buiten beeld. Ook lukt het de ouders nog niet om onderling te overleggen en afspraken te maken over [minderjarige] . De moeder is in het recente verleden vanwege agressie richting de vader strafrechtelijk veroordeeld, en de agressiviteit van de moeder richting de vader is voelbaar in de bemiddelingsgesprekken. Er moeten nog veel onderwerpen besproken en geregeld worden over de opvoeding, verzorging en ontwikkeling van [minderjarige] . Gelet op de problematische verhouding tussen de ouders kunnen zij dit niet op eigen kracht en hebben zij daarbij hulp en ondersteuning nodig. In een vrijwillig kader gaat dat niet lukken. De aanwezigheid van de GI heeft wel degelijk geleid tot enige rust en structuur in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Zonder de aanwezigheid van de GI zou de situatie waarschijnlijk nog erger zijn geweest, dan deze nu is, aldus de vader.
Het advies van de raad
5.5
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. Er is nog altijd sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] en de ouders zijn niet in staat dat in een vrijwillig kader op te lossen. [minderjarige] is nog jong en bevindt zich al jarenlang in een onveilige situatie; hij zit tussen beide ouders in. De vraag is of [minderjarige] dat voldoende kan uiten nu door Levvel Bemiddelt kennelijk geen kindsignalen bij hem worden waargenomen. Hulpverlening in een vrijwillig kader ziet de raad niet voldoende van de grond komen, mede gelet op de emoties van de ouders, onder meer, ter zitting. De vraag voor de raad is dus niet of de ondertoezichtstelling verlengd moet worden – de gronden zijn nog aanwezig – maar in hoeverre de ondertoezichtstelling nog uitvoerbaar is door de GI. De moeder is het vertrouwen in de GI volledig kwijt. Wellicht kan het vertrouwen van de moeder in de huidige GI worden hersteld door de nieuwe medewerkers.
De beoordeling door het hof
5.6
Het hof overweegt als volgt. In maart 2023 is de raad een beschermingsonderzoek begonnen naar aanleiding van meldingen over [minderjarige] bij Veilig Thuis sinds juni 2022.
Uit deze meldingen is voor het hof duidelijk geworden dat sprake was van een aanhoudende strijd en (fysieke) escalaties tussen de ouders, ook in het bijzijn van [minderjarige] . De inzet van de politie is hierbij meermalen nodig gebleken. De raad concludeerde vervolgens in het raadsrapport van 1 juni 2023 dat sprake was van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] , omdat [minderjarige] binnen de complexe echtscheiding tussen het conflict van de ouders in stond en zodoende ernstig belast werd met de spanningen tussen ouders. Daarnaast maakte de moeder, aldus het rapport van de raad, een geestelijk instabiele indruk en leek zij emotioneel onvoldoende beschikbaar en voorspelbaar voor [minderjarige] . De raad verzocht dan ook een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar. De kinderrechter heeft vervolgens vastgesteld dat de concrete ontwikkelingsbedreiging er uit bestond dat [minderjarige] opgroeide in een onrustige opvoedomgeving en de kinderrechter heeft overwogen dat het noodzakelijk was dat allereerst zicht zou komen op (mogelijke) problematiek van de moeder, zodat duidelijk zou worden welke hulpverlening als eerste ingezet zou moeten worden om de voor [minderjarige] bedreigende situatie te verbeteren. Daarbij is voorts overwogen dat het van belang was dat [minderjarige] geen getuige was van de fysieke en verbale escalaties tussen de ouders en dat hij opgroeide in een veilige opvoedomgeving met emotioneel beschikbare ouders. Verder achtte de kinderrechter het ook van belang dat de ouders hulpverlening zouden krijgen gericht op de communicatie en samenwerking, zodat zij afspraken zouden kunnen maken in het belang van [minderjarige] zonder dat dit zou leiden tot conflicten. De kinderrechter heeft [minderjarige] vervolgens onder toezicht gesteld tot 28 juni 2024. Op 25 juni 2024 is de ondertoezichtstelling door de kinderrechter voor de duur van een jaar verlengd omdat [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling werd bedreigd. De doelen van de ondertoezichtstelling waren nog niet behaald. Zo was de onderlinge verstandhouding tussen de ouders nog altijd ernstig verstoord en blekenzij niet in staat om op constructieve wijze te communiceren in het belang van [minderjarige] . Uit de kindsignalen die [minderjarige] liet zien bleek dat hij last had van de verstoorde onderlinge verstandhouding tussen de ouders en hun onvermogen om in zijn belang samen te werken bij zijn opvoeding.
5.7
In augustus 2024 zijn de ouders aangemeld bij Levvel en heeft een intake plaatsgevonden. In dat kader hebben verschillende huisbezoeken bij zowel de vader als de moeder plaatsgevonden. Levvel concludeert dat gedurende deze contactmomenten geen zorgelijke kindsignalen bij [minderjarige] werden waargenomen. Op 4 en 6 augustus 2025 vonden er ook nog huisbezoeken bij de moeder plaats en werden [minderjarige] en de moeder geobserveerd. De systeemtherapeutisch werker heeft tijdens deze observaties een warme en liefdevolle relatie tussen de moeder en [minderjarige] gezien.
Op 25 augustus 2025 is de hulpverlening bij Levvel Bemiddelt gestart. De moeder heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat het traject goed verloopt en dat de vader en zij afspraken kunnen maken. De stelling van de moeder dat de hulpverlening dus ook in een vrijwillig kader kan worden voortgezet, volgt het hof niet nu is gebleken dat de verhouding tussen de ouders nog uitermate gespannen is en dat de situatie sinds 2023 nauwelijks is verbeterd. Zo is de moeder in 2024 nog strafrechtelijk veroordeeld voor het feit dat zij op naam van de vader een profiel op een dating gaysite had aangemaakt en hierop naaktfoto's van de vader had geplaatst. Ook zou de moeder volgens de vader zijn auto hebben bekrast. Daarnaast heeft de vader ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de situatie niet zo rooskleurig is als door de moeder wordt geschetst. Er zijn nog veel geschilpunten en de ouders kunnen onderling nog steeds geen afspraken maken. Ook ziet de vader zorgelijke kindsignalen bij [minderjarige] . [minderjarige] is schrikachtig als een deur dichtslaat of zijn handjes worden vastgepakt, omdat hij bang is om opgesloten te worden of een tik te krijgen. Bovendien heeft de vader op 9 mei 2025 nog een zorgmelding gedaan bij de GI. Deze melding zag op zorgelijke uitlatingen en gedragingen van [minderjarige] , te weten dat hij de vader haat en hem dom vindt, omdat hij dat van de moeder zou hebben moeten zeggen. Ook sloeg [minderjarige] de vader zomaar omdat de moeder tegen [minderjarige] zou hebben gezegd dat hij de vader moest slaan.
Ook uit het verslag van Levvel Bemiddelt van 19 december 2025 volgt dat - hoewel de ouders op de afspraken komen en wordt gezien dat de ouders kleine stapjes maken - de ouders nog niet tot afspraken kunnen komen rond bijvoorbeeld de overdracht van [minderjarige] en dat de ouders nog ondersteuning nodig hebben om tot besluiten te komen. Uit het verslag volgt voorts dat Ouderschap Blijft zich nog in de startfase bevindt waarbij het verdere verloop van de bemiddeling nog ongewis is.
5.8
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de ouders nog steeds niet in staat zijn om afspraken te maken rondom de opvoeding, verzorging en ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] gaat nu naar de basisschool en er moeten nog veel onderwerpen worden geregeld en afspraken worden gemaakt omtrent bijvoorbeeld sport, speelafspraken, paspoort, vakanties, overdrachten etcetera. Daarnaast heeft het hof thans onvoldoende zicht op de hierboven genoemde zorgelijke kindsignalen bij [minderjarige] en de oorzaken daarvan. [minderjarige] staat nog altijd tussen het conflict van de ouders in. Met de raad is het hof van oordeel dat het feit dat het kennelijk goed gaat met [minderjarige] , ook op school, en zowel door de moeder als door Levvel bij [minderjarige] op dit moment geen kindsignalen worden waargenomen, niet betekent dat deze er niet zijn. Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat nog altijd sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] en acht het hof het van belang dat de GI betrokken blijft bij [minderjarige] en zicht houdt op de ontwikkelingen van de ouders met betrekking tot de hulpverlening bij Levvel. Het hof is met de raad van oordeel dat de stapjes die de ouders maken met behulp van Levvel nog pril en klein zijn en dat het niet aannemelijk is dat het de ouders lukt om zonder gedwongen kader afspraken over [minderjarige] te maken. Zo was er in de kerstvakantie 2025 nog onenigheid tussen de ouders met betrekking tot de overdracht van [minderjarige] . Tot slot is het belangrijk dat de GI zich beter een beeld kan vormen omtrent de aard en de ernst van de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] . Het gedwongen kader is mede daarom noodzakelijk.
5.9
Gezien het voorgaande is het hof van oordeel is dat ten tijde van de bestreden beschikking en ook nu nog altijd sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging zoals bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro en dat aan de onder a en b van dat artikel genoemde voorwaarden is voldaan. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling op goede gronden verlengd tot 28 juni 2026. Het hof zal het verzoek van de moeder dan ook afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.
Het hof spreekt de verwachting uit dat de GI gaat werken aan een verbetering van de samenwerkingsrelatie met de moeder.
5.1
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, mr. F. Kleefmann en mr. J.W. Brunt, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Boer als griffier en is op 17 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.