ECLI:NL:GHAMS:2026:362

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
200.358.266/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek moeder tot opbouwende omgangsregeling met pleegkind wegens zwaarwegende belangen minderjarige

De moeder verzocht de rechtbank en vervolgens het hof om een opbouwende omgangsregeling met haar zoon, die sinds 2019 bij pleegouders woont en onder voogdij van een gecertificeerde instelling staat. De rechtbank wees dit verzoek af vanwege het belang van de minderjarige, die een belast verleden heeft en momenteel traumatherapie volgt.

In hoger beroep handhaafde het hof deze beslissing. Uit medische rapporten blijkt dat de minderjarige lijdt aan PTSS type 2 en hechtingsproblematiek, en dat contact met de moeder de traumabehandeling negatief zou beïnvloeden. De gecertificeerde instelling en de Raad voor de Kinderbescherming adviseerden eveneens om het contact voorlopig niet op te bouwen.

Het hof overwoog dat het belang van de minderjarige voorop staat en dat het nu opbouwen van contact de behandeling en het herstelproces zou verstoren. De moeder mag wel schriftelijk reageren op maandelijkse updates van de gecertificeerde instelling, zodat zij betrokken blijft. De bestreden beschikking wordt bekrachtigd en het verzoek tot omgangsregeling wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de moeder tot een opbouwende omgangsregeling af wegens strijd met de zwaarwegende belangen van de minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.358.266/01
zaaknummer rechtbank: C/13/727923 / FA RK 23-187 (MD/WvL)
beschikking van de meervoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. F.R.G. Drenth te Amsterdam,
en
de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- [minderjarige ] (hierna: [minderjarige ] );
- [pleegouders] (hierna: de pleegouders).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over een door de moeder gewenste omgangsregeling met haar zoon [minderjarige ] (10 jaar). De rechtbank heeft het verzoek van de moeder om een omgangsregeling vast te stellen afgewezen.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 20 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 20 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
2.2
De GI heeft op 14 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
De zitting heeft op 14 januari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI, en
- de raad, vertegenwoordigd door V.M. Aelbers.
Voorts was een advocaat-stagiair aanwezig.
De moeder en ook de pleegouders zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
2.4
Ter zitting heeft het hof partijen er van in kennis gesteld dat het hof heeft besloten om [minderjarige ] niet uit te nodigen voor een kindgesprek, dit omdat het hof verwacht dat dit voor [minderjarige ] te belastend is en onrust met zich brengt.

3.De feiten

3.1
Uit een relatie tussen de moeder en de (onbekende) vader is
geboren:
- [minderjarige ] , [in] 2015 te [plaats B] .
3.2
Bij beschikking van 4 september 2020 is door de rechtbank Den Haag het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige ] beëindigd. De GI is sindsdien belast met de voogdij over [minderjarige ] . De vader van [minderjarige ] heeft nimmer ouderlijk gezag over hem gehad. [minderjarige ] verblijft sinds 29 april 2019 bij zijn huidige pleegouders.
3.3
De moeder heeft de rechtbank bij verzoekschrift van 2 januari 2022 verzocht om via een stapsgewijze opbouw een omgangsregeling tussen haar en [minderjarige ] vast te stellen. Ook heeft de moeder de rechtbank verzocht om een informatieregeling vast te stellen. Bij tussenbeschikking van 16 maart 2023 heeft de rechtbank bepaald dat de GI gehouden is de moeder maandelijks, op de eerste dag van de maand, schriftelijk op de hoogte te stellen omtrent
gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van [minderjarige ] .
Ook heeft de rechtbank in het kader van een opbouwende voorlopige omgangsregeling bepaald dat de moeder [minderjarige ] maandelijks een kaartje stuurt, met ingang van de maand mei (2023).
3.4
Bij de mondelinge behandeling van 24 oktober 2023 is door de rechtbank bepaald dat de GI, in overleg met de moeder en de zus van de moeder, een maatschappelijk werker gaat inschakelen die de moeder kan helpen bij het schrijven van de kaarten aan [minderjarige ] en ook bij het communiceren met de GI.
3.5
Bij de mondelinge behandeling van 25 oktober 2024 is de zaak vervolgens aangehouden tot 1 mei 2025 teneinde de moeder in de gelegenheid te stellen om te reageren op de maandelijkse e-mails van de GI.
3.6
De moeder heeft nog drie andere minderjarige kinderen: [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Deze kinderen wonen niet bij de moeder.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden eindbeschikking bepaald dat de moeder maandelijks per e-mail mag reageren op de maandelijkse schriftelijke update van de GI (met informatie over [minderjarige ] ). Daarnaast heeft de rechtbank het verzoek van de moeder ten aanzien van een opbouwende omgangsregeling, voor zover dat ziet op beeldbellen en fysiek contact met [minderjarige ] , afgewezen.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat de door haar verzochte omgangsregeling alsnog wordt vastgesteld waarbij kan worden gestart met de door haar voorgestelde tweede stap -moeder stuurt een videoberichtje naar [minderjarige ] - waarna er wordt toegewerkt naar fysiek contact tussen haar en [minderjarige ] .
4.3
De GI verzoekt het verzoek van de moeder niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoek af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:377a, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel het recht op omgang ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd.
Uit het derde lid volgt dat de rechter het recht op omgang slechts ontzegt, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder of degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De standpunten
5.2
Volgens de moeder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat omgang van [minderjarige ] met de moeder in strijd is met zijn zwaarwegende belangen. De laatste keer dat de moeder [minderjarige ] heeft gezien was op 13 mei 2019 op Moederdag. Nu er door de rechtbank geen opbouwende omgangsregeling is vastgesteld, is de kans op contactherstel tussen de moeder en [minderjarige ] minimaal geworden. De problematiek in de ontwikkeling van [minderjarige ] is niet volledig aan de moeder te wijten. [minderjarige ] heeft ook veel negatiefs meegemaakt in de eerdere pleeggezinnen waar hij verbleef, zelfs seksueel misbruik. [minderjarige ] ’s angst voor het begrip ‘moeder’ komt dus niet door de moeder, maar ook door zijn ervaringen in de eerdere pleeggezinnen.
Het gaat nu goed met de moeder. Zij heeft sinds de uithuisplaatsing van [minderjarige ] een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Het is in het belang van [minderjarige ] dat hij kan ervaren dat zijn moeder een lieve vrouw is die het beste met hem voor heeft en voor wie hij niet bang hoeft te zijn. Dit is alleen mogelijk wanneer [minderjarige ] weer contact met zijn moeder kan krijgen. De overweging van de rechtbank dat het toe werken naar contact tussen de moeder en [minderjarige ] de traumabehandeling van [minderjarige ] negatief zou kunnen beïnvloeden, is slechts een aanname. De GI stelt dat niet met contact moet worden gestart omdat de impact hiervan op [minderjarige ] onvoorspelbaar is. Van een concreet aan te duiden nadeel is dan ook geen sprake. Tot slot heeft de rechtbank niet bepaald dat de GI de reacties van de moeder via de e-mail op de update van de GI aan [minderjarige ] moet voorlezen, terwijl dit juist goed ging. Het contact is nu dus volledig gestopt. Het belang van [minderjarige ] vereist echter dat er in het kader van zijn identiteitsontwikkeling, weer -via een stapsgewijze opbouw- contact tussen hem en de moeder komt.
5.3
De GI voert verweer en geeft aan dat het voor de ontwikkeling van [minderjarige ] als eerste van belang is dat er stabiliteit komt in met name de geestelijke gemoedstoestand van [minderjarige ] . Hiervoor krijgt hij thans traumatherapie en deze therapie vraagt veel van [minderjarige ] . Ook is de GI van mening dat er aandacht dient te zijn voor de wens van [minderjarige ] . [minderjarige ] zegt duidelijk geen contact te willen met de moeder en de huidige behandeling lijkt hier ook nog geen verandering in te hebben gebracht. De GI ziet dat [minderjarige ] goed in staat is om kenbaar te maken wat hij wel en niet wil. Het is dan ook niet in het belang van [minderjarige ] om nu het contact tussen hem en de moeder op te bouwen, aldus de GI.
Het advies van de raad
5.4
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. [minderjarige ] volgt traumatherapie en hij maakt een emotioneel intens proces door. Het effect dat de inzet van contactherstel met de moeder naar verwachting nu op hem zal hebben, is een contra-indicatie voor dit contactherstel. Op termijn zal naar een opbouwende contactregeling tussen [minderjarige ] en de moeder kunnen worden gekeken, onder twee voorwaarden. De eerste voorwaarde is dat [minderjarige ] de ruimte en de mogelijkheid heeft gekregen om trauma’s te verwerken waardoor hij in staat is om onbelast dat contact met de moeder aan te gaan. De tweede voorwaarde is dat de moeder laat zien dat zij in staat is om voor langere duur de samenwerking met de GI aan te gaan en dat zij laat zien dat zij haar leven op orde heeft en voorspelbaar is richting [minderjarige ] . Een opbouwende contactregeling is dus nu nog te prematuur en is strijd met het belang van [minderjarige ] , aldus de raad.
De beoordeling door het hof
5.5
Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en hetgeen ter zitting in hoger beroep is besproken, blijkt het volgende. [minderjarige ] heeft een belast verleden, waarbij hij met name in zijn eerste twee levensjaren veel traumatische gebeurtenissen heeft meegemaakt. [minderjarige ] is gediagnosticeerd met PTSS type 2 (vroegkinderlijk en chronisch) en hechtingsproblematiek, waarvoor hij sinds september 2024 bij Plinthos S-GGZ in behandeling is. Uit de polibrief S-GGZ van oktober 2025 volgt dat [minderjarige ] zichzelf de schuld geeft van de gebeurtenissen in zijn leven. Zijn zelfbeeld is zeer beschadigd vanuit de PTSS en hij ervaart stress, [minderjarige ] heeft last van herbelevingen die hij nog geen plaats kan geven. Zijn concentratievermogen is als gevolg hiervan laag
Het behandelteam meent dat het (voorzichtig en in stapjes) herstellen van het contact met de moeder en het nu oppakken van dit contact niet past binnen de individuele behandeling van [minderjarige ] . Het zou de behandeling onnodig onder druk kunnen zetten omdat er bij hem veel spanning op dit thema zit. Ook de GI is deze mening toegedaan. Zo heeft de GI ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de traumatherapie veel vraagt van [minderjarige ] en dit met pieken en dalen gaat. In zijn geheugen worden bepaalde zogenaamde laatjes geopend met betrekking tot de moeder en daar reageert [minderjarige ] heel sterk op. Voorts zijn zijn epileptische episodes heftiger dan voorheen en heeft hij last van nachtmerries en herbelevingen. De dagen na de traumatherapie is [minderjarige ] ook somberder. Volgens de GI is er geen kans van slagen van de therapie als de moeder in deze periode contact krijgt met [minderjarige ] , de kans op hertraumatisering is dan aanzienlijk groter.
5.6
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat het nu toewerken naar herstel van het contact tussen [minderjarige ] en de moeder, fysiek dan wel via beeldbellen, in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige ] . Prioriteit heeft nu dat [minderjarige ] zich volledig op zijn traumabehandeling kan richten. Het is voor het hof zeer aannemelijk geworden dat het nu opbouwen van contact de traumabehandeling negatief zal beïnvloeden en de geringe progressie die [minderjarige ] maakt in het verwerken van zijn trauma’s, zal doorkruisen. De GI heeft ter zitting in hoger beroep toegezegd ervoor open te staan om met de moeder een goede samenwerkingsrelatie aan te gaan als [minderjarige ] daarvoor klaar is. Tot die tijd kan de moeder doorgaan met het schriftelijk reageren op de maandelijkse emailberichten van de GI. Op die wijze blijft de moeder enigszins betrokken in het leven van [minderjarige ] , wat eventueel contactherstel in de toekomst makkelijker maakt.
5.7
Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd en het verzoek van de moeder tot het vaststellen van een opbouwende omgangsregeling dient te worden afgewezen.
5.8
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, mr. F. Kleefmann en mr. J.W. Brunt, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Boer als griffier en is op 17 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.