Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.De procedure in hoger beroep
3.De feiten
behoort in ieder geval bestaat uit de envelop met € 5.000,- en de bundel gereed geld met € 25.350,- (totaal € 30.350,-) (..) [de vrouw] c.s. heeft naar het oordeel van het hof daarom voldoende aannemelijk gemaakt dat het beslag op de bundel geld van € 15.000,- eveneens ten onrechte is gelegd, nu deze niet behoort tot het vermogen van [de vrouw] en [de man] . (..)”;
4.De omvang van het hoger beroep
“de contante gelden van partijen ter hoogte van € 30.350,-, zoals genoemd in rechtsoverweging 2.9.39, worden bij helfte verdeeld tussen partijen”;
“Partijen hebben gouden sieraden, te weten 17 armbanden (24-karaats) à 21 gram, 10 stuks kwartgoud en 1 gouden set. Partijen zijn er over eens dat de sieraden onverdeeld zullen blijven en dat deze aan de kinderen van partijen zullen worden geschonken als [kind 1] en [kind 2] beiden de achttienjarige leeftijd hebben bereikt. Nu partijen op dit punt overeenstemming hebben bereikt, hoeft de rechtbank hierover geen beslissing meer te nemen.”
5.De motivering van de beslissing
.
begreep ik tot mijn grote verbazing dat u namens uw cliënt beslag heeft laten leggen op de inhoud van een kluis van de zwager en zus van cliënte…”) dat (slechts) de inhoud van deze envelop – een bedrag van € 5.000,- - tot de gemeenschap behoorde. Ter zake de twee in de kluis aangetroffen bundels gereed geld nam de vrouw echter expliciet het standpunt in dat deze bundels gereed geld aantoonbaar geen bestanddelen van de gemeenschap betroffen. Pas in haar verweerschrift van 25 januari 2024 heeft de vrouw haar standpunt ter zake de omvang van het contante geld verlaten en gesteld dat het om een bedrag van € 30.000,- gemeenschappelijk geld ging.
.De stelling van de vrouw dat zij tijdig in de echtscheidingsprocedure het standpunt heeft ingenomen dat er € 30.000,-- aan contant geld verdeeld moet worden, baat haar dan ook niet. Evenmin is er voor de vrouw de mogelijkheid om, na overtreding van art. 3:194 lid 2 BW Pro, tot inkeer te komen nadat zij werd geconfronteerd met de inhoud van de kluis na beslaglegging hierop door de man. Deze uitleg strookt met de strekking van artikel 3:194 lid 2 BW Pro dat tot doel heeft om oneerlijk gedrag van de deelgenoten tegenover elkaar te ontmoedigen. Daar komt nog bij dat de deelgenoten in het algemeen in hoge mate van elkaar afhankelijk zijn inzake de juistheid en volledigheid van de over en weer door hen verschafte inlichtingen omtrent het bestaan van gemeenschapsgoederen. De vrouw is op dat punt - op zijn minst genomen - nalatig geweest.