ECLI:NL:GHAMS:2026:422
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Opheffing onderbewindstelling en mentorschap wegens afgenomen noodzaak
De betrokkene, geboren in 1969, was onder bewind gesteld en had een mentorschap vanwege haar psychiatrische aandoeningen en vermeende onvermogen haar belangen te behartigen. De kantonrechter had deze maatregelen ingesteld op verzoek van Mentrum.
In hoger beroep betwistte de betrokkene de noodzaak van deze beschermingsmaatregelen, stellende dat zij met ondersteuning van haar zus en vrijwillige hulpverlening haar belangen adequaat kan behartigen. Tijdens de zitting verklaarden zowel de betrokkene als haar zus dat zij zelfstandig functioneren en geen bewindvoering of mentorschap wensen. De bewindvoerder/mentor gaf aan beperkte informatie te hebben over de financiële situatie en zorgbehoefte, maar erkende dat de situatie complex is door het samenwonen van de zussen.
Het hof concludeerde dat de omstandigheden sinds de bestreden beschikking zijn gestabiliseerd en dat de betrokkene, ondanks haar psychiatrische stoornissen, niet progressief achteruitgaat. De ondersteuning door haar zus en Mentrum is adequaat en biedt voldoende waarborgen. Daarom zijn de wettelijke gronden voor bewind en mentorschap niet langer aanwezig en worden deze per 10 maart 2026 opgeheven.
Uitkomst: Het hof heft de onderbewindstelling en het mentorschap van betrokkene op per 10 maart 2026 wegens afgenomen noodzaak.