ECLI:NL:GHAMS:2026:461

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
200.347.804/01 GDW
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 RvArt. 611a lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Klacht tegen gerechtsdeurwaarders over betekening en termijn muurplaatsing ongegrond verklaard

Klagers werden bij vonnis van 5 augustus 2021 veroordeeld om binnen twaalf weken een muur op de erfgrens te plaatsen. Gerechtsdeurwaarder sub 1 betekende dit vonnis op 23 september 2021 met aanzegging van een dwangsom bij niet-naleving. Klagers stelden dat de termijn pas zou moeten ingaan nadat hun buren een haag en hekwerk hadden verwijderd en klaagden over de handelwijze van de gerechtsdeurwaarders.

De klacht richtte zich op het vermeende onvoldoende toetsen door de gerechtsdeurwaarders van de grondslag voor executie, het verkeerd laten ingaan van de termijn en het weigeren het exploot terug te nemen. Het hof oordeelde dat een gerechtsdeurwaarder slechts een marginale toets hoeft te doen en dat het vonnis voldoende grond bood voor betekening en executie. De termijn was door de rechtbank juist vastgesteld en het was niet aan de gerechtsdeurwaarders om dit te beoordelen.

Ook het weigeren van intrekking van het exploot was niet verwijtbaar omdat geen opdracht van de opdrachtgever was gegeven. Het hof verklaarde de klacht op alle onderdelen ongegrond, bevestigde de eerdere beslissing en wees een nieuw in hoger beroep ingebracht klachtonderdeel af als niet-ontvankelijk.

Uitkomst: De klacht tegen de gerechtsdeurwaarders is ongegrond verklaard en de eerdere beslissing bevestigd.

Uitspraak

beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.347.804/01 GDW
nummer eerste aanleg : C/13/732714 / DW RK 23/135
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 3 maart 2026
inzake

1.[appellant 1] ,

wonend te [plaats 2] , gemeente [plaats 1] ,
2.
[appellant 2],
wonend te [plaats 2] , gemeente [plaats 1] ,
appellanten,
gemachtigde: A.G.Th. Geene,
tegen

1.[geïntimeerde 1] ,

voorheen kandidaat-gerechtsdeurwaarder te [plaats 3] ,
2.
[geïntimeerde 2],
gerechtsdeurwaarder te [plaats 3] ,
3.
[geïntimeerde 3],
gerechtsdeurwaarder te [plaats 4] ,
geïntimeerden.
Partijen worden hierna klagers (respectievelijk klager en klaagster) en de gerechtsdeurwaarders (respectievelijk de gerechtsdeurwaarder sub 1, de gerechtsdeurwaarder sub 2 en de gerechtsdeurwaarder sub 3) genoemd.

1.De zaak in het kort

Bij vonnis van 5 augustus 2021 zijn klagers veroordeeld om binnen twaalf weken een muur te bouwen op de erfgrens met de buren van klagers. Gerechtsdeurwaarder sub 1 heeft dit vonnis op 23 september 2021 aan klagers betekend, met aanzegging van een dwangsom indien niet aan het vonnis zou worden voldaan. Volgens klagers volgde uit het vonnis dat de termijn van twaalf weken pas zou gaan lopen nadat de buren een haag en een hekwerk op de erfgrens hadden verwijderd. In deze tuchtprocedure verwijten klagers de gerechtsdeurwaarders dat zij (1) onvoldoende hebben getoetst of het vonnis voldoende grond bood om tot betekening, bevel met aanzegging en executie over te gaan, (2) de termijn van twaalf weken op een verkeerde datum hebben laten aanvangen en (3) weigerden het exploot terug te nemen. Het hof is, net als de kamer, van oordeel dat de klacht ongegrond is.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Klagers hebben op 7 november 2024 een beroepschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 18 oktober 2024 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TGDKG:2024:108).
2.2.
De gerechtsdeurwaarders hebben op 6 januari 2025 een verweerschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend.
2.3.
De gerechtsdeurwaarders hebben op 28 januari 2025 een aanvullende productie bij het hof ingediend.
2.4.
Klagers hebben op 29 januari 2025 en 7 december 2025 aanvullende producties bij het hof ingediend.
2.5.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
2.6.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 18 december 2025. Klagers, vergezeld van hun gemachtigde, en de gerechtsdeurwaarders sub 2 en 3 zijn verschenen. Zowel de gemachtigde van klagers als gerechtsdeurwaarder sub 3, mede namens gerechtsdeurwaarders sub 1 en 2, hebben het woord gevoerd aan de hand van aan het hof overgelegde spreekaantekeningen. Gerechtsdeurwaarder sub 1 is niet verschenen.

3.Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.
3.1.
Op 5 augustus 2021 heeft de rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een geschil tussen klagers en hun buren. Klagers zijn toen onder meer veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad, “
tot het plaatsen en binnen 12 weken na de datum van dit vonnis geplaatst hebben van een volledig gemetselde enkelsteens muur, (…), bij gebreke waarvan[klagers]
een dwangsom van € 250,- verbeurt voor iedere dag dat hij hiermee in gebreke blijft”.
3.2.
Op 23 september 2021 heeft gerechtsdeurwaarder sub 1 het vonnis aan klagers betekend en (onder meer) bevel gedaan om binnen twaalf weken na datum van het vonnis aan de veroordeling tot het plaatsen van een volledig gemetselde enkelsteens muur te voldoen, met aanzegging dat indien klagers niet aan dit bevel zouden voldoen zij een dwangsom van € 250,- verbeuren voor iedere dag dat zij in gebreke blijven aan dit bevel te voldoen.
3.3.
Bij e-mail van 23 september 2021 heeft de gemachtigde van klagers (aan gerechtsdeurwaarder sub 1) verzocht het exploot in te trekken, omdat klagers de muur pas konden plaatsen nadat de buren een haag en een hekwerk hadden verwijderd.
3.4.
Bij e-mail van 28 september 2021 heeft de gemachtigde van klagers het gerechtsdeurwaarderskantoor verzocht te reageren op onder andere zijn e-mail van 23 september 2021.
3.5.
Op 29 september 2021 heeft gerechtsdeurwaarder sub 2 de gemachtigde van klagers laten weten dat er geen aanleiding bestond het exploot in te trekken of te corrigeren dan wel te herstellen.
3.6.
Op 29 september 2021 heeft de gemachtigde van klagers gereageerd op de e-mail van gerechtsdeurwaarder sub 2 en onder meer gesteld dat er duidelijk sprake was van een misslag in het vonnis van 5 augustus 2021, in die zin dat duidelijk was overwogen dat eerst de haag en het hekwerk moesten zijn verwijderd voordat de termijn van twaalf weken begon te lopen.
3.7.
Klagers hebben zowel een executiekortgeding aangespannen (om hun buren te verbieden over te gaan tot executie van de dwangsommen) als hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 5 augustus 2021.
3.8.
Bij vonnis van 28 oktober 2021 heeft de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant de buren van klagers op straffe van een dwangsom verboden tot executie van de volgens hen verbeurde dwangsommen over te gaan totdat het gerechtshof ’s-Hertogenbosch arrest in het hoger beroep had gewezen.
3.9.
Op 7 maart 2023 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch arrest gewezen en beslist dat klagers binnen twaalf weken na het moment dat hun buren de haag hebben verwijderd een volledig gemetselde enkelsteens muur geplaatst moeten hebben, op straffe van een dwangsom.
3.10.
Bij e-mail van 12 maart 2023 heeft de gemachtigde van klagers onder andere het kantoor van de gerechtsdeurwaarders aansprakelijk gesteld voor de door klagers geleden en nog te lijden schade door het onrechtmatig handelen van de gerechtsdeurwaarders.

4.De klacht

Klagers verwijten de gerechtsdeurwaarders – samengevat – het volgende.
a. De gerechtsdeurwaarders hebben niettegenstaande hun ministerieplicht een eigen verantwoordelijkheid om marginaal te toetsen of de desbetreffende titel voldoende grond biedt om tot betekening, bevel met aanzegging en executie over te gaan. De gerechtsdeurwaarders hebben die verantwoordelijkheid niet genomen.
De gerechtsdeurwaarders hebben de termijn van twaalf weken laten ingaan op 5 augustus 2021 (de dag van de uitspraak) in plaats van twaalf weken nadat de buren de haag en het hekwerk zouden hebben verwijderd. Nadat klagers de gerechtsdeurwaarders hiervan op de hoogte hadden gesteld hebben gerechtsdeurwaarders sub 2 en 3 met een merkwaardig verzinsel recht proberen te praten wat krom was.
Met de betekening op 23 september 2021 hebben de gerechtsdeurwaarders de gegeven termijn van twaalf weken verkort naar vijf weken. Gerechtsdeurwaarders sub 2 en 3 hebben vervolgens, ondanks nadrukkelijk verzoek daartoe, geweigerd het exploot terug te nemen.

5.Beoordeling

5.1.
De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klagers tegen de gerechtsdeurwaarders ongegrond verklaard.
Rol gerechtsdeurwaarder sub 3
5.2.
Het hof stelt, net als de kamer, vast dat gerechtsdeurwaarder sub 3 in dit dossier geen handelingen heeft verricht die onder het tuchtrecht vallen, zodat ook het hof van oordeel is dat om deze reden de klacht van klagers tegen gerechtsdeurwaarder sub 3 reeds ongegrond is. Anders dan klagers stellen is de inhoudelijke reactie op 29 september 2021 (rov. 3.5) uitsluitend afkomstig van gerechtsdeurwaarder sub 2. Het voeren van intern overleg over de ontvangen email en de reactie daarop leidt niet tot tuchtrechtelijke aansprakelijkheid van gerechtsdeurwaarder sub 3.
5.3.
In hoger beroep hebben klagers gerechtsdeurwaarder sub 3 nog verweten dat deze ondanks de ingediende klacht is blijven deelnemen aan zittingen van de kamer. Dit is een nieuwe klacht, die niet voor het eerst in hoger beroep kan worden ingediend. Dit in hoger beroep nieuw geformuleerde klachtonderdeel zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Marginale toets titel (klachtonderdeel a)
5.4.
De kamer heeft met betrekking tot dit klachtonderdeel overwogen dat – volgens vaste jurisprudentie – een gerechtsdeurwaarder slechts marginaal hoeft te toetsen of de verstrekte titel voldoende grond biedt voor de betekening van de titel, het bevel tot het plaatsen van de muur met aanzegging van de dwangsom en executie van de titel. Vervolgens heeft de kamer geoordeeld dat het vonnis van 5 augustus 2021 – bij marginale toetsing – voldoende grond bood aan gerechtsdeurwaarder sub 1 om de executie ter hand te nemen zoals opgedragen, zodat de kamer dit klachtonderdeel ongegrond heeft verklaard.
5.5.
In hun beroepschrift hebben klagers aangevoerd dat marginale toetsing inhoudt dat het gehele vonnis nauwkeurig moet worden gelezen. De uitleg van het dictum van een vonnis dient te geschieden in het licht en met inachtneming van de overwegingen die tot dat dictum hebben geleid. Het valt de gerechtsdeurwaarders te verwijten dat zij niet bij de opdrachtgevende advocaat dan wel bij de executanten zelf hebben nagevraagd of de haag en het hekwerk al waren verwijderd.
5.6.
De gerechtsdeurwaarders hebben in hoger beroep (opnieuw) aangevoerd dat een gerechtsdeurwaarder moet volstaan met een marginale toets of een verlangde ambtelijke opdracht kan worden uitgevoerd. Een gerechtsdeurwaarder dient niet in de beoordeling van rechterlijke veroordelingen te treden. Als het dictum van het vonnis van 5 augustus 2021 een kennelijke fout bevatte, had de weg van artikel 31 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) opengestaan voor klagers, maar daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt. Klagers hebben voor de civielrechtelijk juiste weg gekozen, namelijk een executiegeschil aanspannen en hoger beroep instellen. Voorts hebben de gerechtsdeurwaarders aangevoerd dat haag en hekwerk vier dagen na de betekening door gerechtsdeurwaarder sub 1 al waren verwijderd. Ten slotte hebben de gerechtsdeurwaarders aangevoerd dat juist bij dwangsommen de betekening van de uitspraak een cruciale rol speelt, omdat op grond van artikel 611a lid 3 Rv dwangsommen eerst kunnen worden verbeurd ná betekening van de uitspraak waarbij zij zijn vastgesteld. Een gerechtsdeurwaarder zal dus zeer terughoudend moeten zijn met het weigeren van zijn ministerie tot betekening, aldus de gerechtsdeurwaarders.
5.7.
Met juistheid heeft de kamer overwogen dat een gerechtsdeurwaarder slechts marginaal hoeft te toetsen of de verstrekte titel voldoende grond biedt voor de betekening, het bevel met aanzegging en de executie. Een diepgravend onderzoek naar de juistheid van die titel wordt van een gerechtsdeurwaarder niet verlangd. Een gerechtsdeurwaarder behoort niet op de stoel van de rechter te gaan zitten. Het ligt op de weg van de persoon te wiens laste de executie plaatsvindt, zo nodig de rechtmatigheid van een executoriale titel in een executiegeschil door de executierechter te laten toetsen (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:GHAMS:2021:3219).
5.8.
De vereiste marginale toetsing door de gerechtsdeurwaarders dient minder ruim te worden uitgelegd dan door klagers wordt gesteld. Het hof deelt het oordeel van de kamer dat – na marginale toetsing – het vonnis van 5 augustus 2021 voldoende grond bood aan gerechtsdeurwaarder sub 1 om de executie ter hand te nemen zoals opgedragen. Voor de opdrachtgevers van de gerechtsdeurwaarders was de betekening noodzakelijk om – indien nodig – daadwerkelijk de verbeurde dwangsommen te kunnen innen. Gerechtsdeurwaarder sub 1 zou een goede reden moeten hebben gehad om zijn ministerie te weigeren en niet het vonnis van de kantonrechter te volgen. Deze reden volgde echter niet evident uit het vonnis van 5 augustus 2021. Dit is later ook nog bevestigd door de kortgedingrechter (“
Van een evidente misslag is pas sprake wanneer naar objectieve maatstaven buiten twijfel staat dat een beslissing onjuist is. Dat is in de onderhavige zaak niet het geval.”). Als het vonnis al een fout zou hebben bevat, was het aan klagers en niet aan gerechtsdeurwaarder sub 1 om hierop – via de daarvoor geëigende juridische weg – actie te ondernemen, hetgeen zij ook hebben gedaan. Gezien het vorenstaande acht het hof, net als de kamer, klachtonderdeel a ongegrond.
Termijn twaalf weken op verkeerde moment laten ingaan (klachtonderdeel b)
5.9.
Over klachtonderdeel b heeft de kamer overwogen dat het niet gerechtsdeurwaarder sub 1 was die de termijn van twaalf weken heeft laten ingaan op 5 augustus 2021 (de dag van de uitspraak), maar dat de rechtbank dit zo heeft bepaald. Het was volgens de kamer niet aan gerechtsdeurwaarder sub 1 om te beoordelen of de rechtbank hier een fout heeft gemaakt. Er bestond voor gerechtsdeurwaarder sub 1 geen verplichting om ter plekke te gaan kijken of het feitelijk mogelijk was om aan de veroordeling te voldoen, bijvoorbeeld doordat een hekwerk was verwijderd, aldus de kamer. Hiervoor moesten klagers een executiegeschil starten en dat hebben zij ook gedaan.
5.10.
Het hof sluit zich aan bij deze overwegingen en het oordeel van de kamer. Het beroepschrift van klagers, het verweerschrift van de gerechtsdeurwaarders en de behandeling van de zaak ter zitting in hoger beroep hebben geen ander licht op de zaak geworpen en geven het hof geen aanleiding tot een andere beoordeling dan die van de kamer of tot een nadere motivering. Het zij nogmaals herhaald dat het niet aan gerechtsdeurwaarder sub 1 was om een rechterlijk oordeel ter discussie te stellen. Net als de kamer acht het hof het klachtonderdeel b dus ongegrond.
Verkorting termijn en weigering exploot terug te nemen (klachtonderdeel c)
5.11.
Met betrekking tot het eerste deel van dit klachtonderdeel sluit het hof zich aan bij het oordeel van de kamer dat de in het vonnis van 5 augustus 2021gestelde termijn niet is verkort door het moment van betekening, omdat in het dictum van het vonnis klagers van meet af aan zijn veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad, tot het plaatsen van de muur binnen twaalf weken na datum vonnis.
Wat betreft de weigering het exploot in te trekken overweegt het hof dat, anders dan de kamer lijkt te overwegen, intrekking van het exploot wel zou kunnen, maar niet zonder opdracht daartoe van de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarders. Nu die opdracht ontbrak, kan de gerechtsdeurwaarders ook op dit punt geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Gezien het vorenstaande acht het hof, net als de kamer, klachtonderdeel c ongegrond.
Conclusie
5.12.
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hof, evenals de kamer, van oordeel is dat de klacht tegen de gerechtsdeurwaarders op alle onderdelen ongegrond is. Het hof zal de beslissing van de kamer daarom bevestigen. Het in hoger beroep nieuw geformuleerde klachtonderdeel onder 5.3 zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

6.Beslissing

Het hof:
- verklaart het in hoger beroep nieuw geformuleerde klachtonderdeel onder 5.3 niet-ontvankelijk;
- bevestigt de bestreden beslissing.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, J.W.M. Tromp en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026 door de rolraadsheer.