ECLI:NL:GHAMS:2026:490
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering smartengeld wegens ontnemen afscheid moeder door zus
Appellant vordert van zijn zus een immateriële schadevergoeding omdat zij hem de mogelijkheid zou hebben ontnomen afscheid te nemen van hun overleden moeder. De kantonrechter wees deze vordering af en het hof bekrachtigt dit vonnis.
De feiten betreffen een verstoorde familieverhouding na een conflict over een hypotheek en een incident waarbij de politie betrokken was. Na het overlijden van de moeder stuurde geïntimeerde een rouwkaart met informatie over de afscheidsdienst. Appellant verscheen op de afscheidsdienst maar werd op verzoek van de uitvaartverzorger, namens geïntimeerde, verzocht de kerk te verlaten.
Het hof oordeelt dat het recht op family life uit artikel 8 EVRM Pro en de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm uit artikel 6:162 BW Pro niet zijn geschonden. Gezien de verstoorde relatie en het verzoek ter voorkoming van escalatie was het verzoek niet onrechtmatig. Bovendien had appellant de mogelijkheid om op een ander moment afscheid te nemen, maar heeft hij dit niet kenbaar gemaakt. De vordering tot smartengeld wordt daarom afgewezen en het bestreden vonnis bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de vordering tot smartengeld wegens het ontnemen van afscheid van de moeder wordt afgewezen.