Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.De procedure in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het hoger beroep
tweejaar vanaf de ingangsdatum uitgaan van 50 % van het minimumloon en daarna van het volledige minimumloon.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 2004 gehuwd en in 2025 gescheiden. De rechtbank had bepaald dat de man €3.536,- bruto per maand aan partneralimentatie moest betalen. De man betwistte dit en stelde dat hij geen alimentatie hoeft te betalen vanwege zijn lagere inkomen en het vermogen van de vrouw. De vrouw vorderde juist een veel hoger bedrag van €15.540,- per maand, stellende dat de man meer verdient dan hij opgeeft.
In hoger beroep heeft het hof het inkomen van de man lager vastgesteld dan de rechtbank, mede omdat hij nu als zij-instromer in het onderwijs werkt en geen verwijtbaar inkomensverlies heeft. De vrouw heeft een afstand tot de arbeidsmarkt en psychische klachten, waardoor zij slechts deels kan werken. Het hof houdt rekening met het vermogen van beide partijen, maar stelt dat de draagkracht van de man de doorslag geeft.
Het hof berekent de draagkracht van de man op basis van een fictief inkomen van €80.000,- per jaar, verminderd met zijn bijdrage aan de kosten van de minderjarige zoon. Dit leidt tot een netto draagkracht van €664,- per maand, wat bruto €1.062,- per maand partneralimentatie oplevert. De eerdere beschikking wordt vernietigd en de alimentatie wordt op dit lagere bedrag vastgesteld, ingaande 30 juni 2025. De proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: De partneralimentatie wordt vastgesteld op €1.062,- bruto per maand, ingaande 30 juni 2025, met compensatie van de proceskosten.