ECLI:NL:GHAMS:2026:528

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
23-001213-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bedreiging, poging zware mishandeling, witwassen en wederspannigheid

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor meerdere strafbare feiten, waaronder bedreiging van beveiligingsmedewerkers, poging tot zware mishandeling van ambtenaren, witwassen van een geldbedrag en wederspannigheid. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en kwam tot een eigen oordeel op basis van het dossier en de zittingen.

De feiten betreffen onder meer het met hoge snelheid wegrijden met een auto terwijl ambtenaren probeerden hem aan te houden, waarbij een ambtenaar letsel aan zijn knie opliep. Daarnaast werd een geldbedrag van €9.830 aangetroffen dat afkomstig was uit een misdrijf, wat leidde tot de witwasbeschuldiging. De verdachte verzette zich ook met geweld tegen politieambtenaren tijdens een fouillering.

Het hof achtte de bewezenverklaringen wettig en overtuigend en wees de vrijspraak toe voor overige tenlastegelegde feiten. De straf werd vastgesteld op 34 weken gevangenisstraf, waarvan 16 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest. Tevens werd het geldbedrag verbeurd verklaard. De immateriële schadevergoedingen aan de benadeelde partijen werden vastgesteld op €750, €400 en €400, vermeerderd met wettelijke rente. De redelijke termijn was overschreden, wat leidde tot een strafvermindering van twee weken.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 34 weken gevangenisstraf waarvan 16 weken voorwaardelijk, met verbeurdverklaring van €9.830 en toekenning immateriële schadevergoedingen.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001213-23
datum uitspraak: 27 februari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) van 11 april 2023 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-069098-21 en 15-162076-21 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
13 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 15-069098-211.
hij op of omstreeks 5 maart 2021 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer drie beveiligingsmedewerker(s) onder wie [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die beveiligingsmedewerker(s) onder wie [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Ik sla jullie kankertanden uit jullie bek, ik maak jullie allemaal dood.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
2. primair
hij in of omstreeks de periode van 05 maart 2021 tot en met 06 maart 2021 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer en/of te Amsterdam, althans op de route tussen Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, en Amsterdam, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een of meer ambtena(a)r(en), te weten [benadeelde partij 1] (wachtmeester le klasse der Koninklijke Marechaussee), en/of
[benadeelde partij 2] (hoofdagent van de Nationale Politie eenheid Noord-Holland), en/of
[benadeelde partij 3] , (wachtmeester der Koninklijke Marechaussee)
(telkens) gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten het handhaven van de openbare orde en/of de opsporing van strafbare feiten,
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet
- de door hem, verdachte, bestuurde auto (meermalen) in beweging heeft gebracht, terwijl één of meer van voormelde ambtenaren door de geopende deur reikte(n) en/of hem - verdachte - vast had(den) (dit telkens teneinde hem aan te houden), en/of
- ( vervolgens) met grote snelheid weg rijdend, terwijl één of meer van voormelde ambtenaren door de geopende deur reikte(n) en/of hem - verdachte - vast had(den) (dit telkens teneinde hem aan te houden), en/of
- ( vervolgens) met grote snelheid weg rijdend, terwijl één of meer van voormelde ambtenaren in de directe nabijheid van de auto stonden waardoor deze ambtenaren zich (met spoed) uit de baan van auto moesten begeven/weg springen, en/of
- ( vervolgens) met hoge snelheden rijdend aldus de andere weggebruikers waaronder deze ambtenaren in gevaar brengend
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 05 maart 2021 tot en met 06 maart 2021 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer en/of te Amsterdam, althans op de route tussen Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, en Amsterdam, althans in Nederland, een ambtenaar, te weten [benadeelde partij 1] (wachtmeester le klasse der Koninklijke Marechaussee), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten het handhaven van de openbare orde en/of de opsporing van strafbare feiten, heeft mishandeld door gezeten in een door hem, verdachte, bestuurde auto, deze [benadeelde partij 1] tegen diens linkerbeen te rijden met voormelde auto.
Zaak met parketnummer 15-162076-21
1.
hij op of omstreeks 19 november 2020, te Alkmaar, althans in Nederland, van een voorwerp, te weten een groot geldbedrag (te weten € 9.830), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
2.
hij op of omstreeks 19 november 2020 te Alkmaar, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meerdere ambtenaren, TO040084 (aspirant van de politie) en/of TO040085 (aspirant van de politie), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten de fouillering van verdachte, door opzettelijk rukkende, trekkende en/of duwende bewegingen te maken met zijn lichaam en/of zijn arm(en) in een richting tegengesteld aan die waarin voornoemde ambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden/brengen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof voor een deel tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.
Bewijsoverweging
Zaak met parketnummer 15-069098-21
Ten aanzien van feit 2 primair
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 2 primair tenlastegelegde. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit en hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat niet zonder twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Op grond van het dossier stelt het hof vast dat de verdachte door de verbalisanten werd verzocht uit de auto te stappen. De verdachte voldeed hier niet aan maar startte het voertuig en trapte het gaspedaal in waardoor het voertuig hoge toeren maakte en met schokkende bewegingen naar voren schoot. De verdachte draaide daarbij het stuur naar links, waardoor het voertuig in de richting van de verbalisanten schoot. Eén van de verbalisanten heeft de verdachte beet kunnen pakken en geprobeerd hem te beletten verder te rijden, waarna de verdachte nogmaals het gaspedaal intrapte en de verbalisanten moesten wegspringen om niet geraakt te worden. Eén van de verbalisanten werd desondanks door de voorkant van het voertuig tegen zijn knie geraakt.
Anders dan de verdediging concludeert het hof dat de verdachte door dit handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard om de verbalisanten, die heel dicht in de buurt van de auto stonden, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Het hof neemt in zijn oordeel mee dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat het inderdaad geen veilige situatie betrof en dat hij door het gebruik van pepperspray geen goed zicht had.
Zaak met parketnummer 15-162076-21
Ten aanzien van feit 1
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de verbalisanten bevoegd waren tot inbeslagname van de tas en daarmee ook tot het verrichten van onderzoek aan die inbeslaggenomen tas. Er was een redelijk vermoeden van schuld gerezen dat zich in de tas een vuurwapen of verdovende middelen konden bevinden. Het feit dat geen kennisgeving van inbeslagneming van de tas aan de verdachte is uitgereikt, heeft er volgens de advocaat-generaal niet toe geleid dat de verdachte in zijn belangen is geschaad. Er is geen vormverzuim in de zin van artikel 359a lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Daarnaast heeft de advocaat-generaal opgemerkt dat de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst van het geldbedrag heeft afgelegd en voor het openbaar ministerie geen verplichting bestond nader onderzoek te doen.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit en hiertoe – kortgezegd – aangevoerd dat de doorzoeking van de tas van de verdachte onrechtmatig was omdat de verdachte daarvoor geen toestemming heeft gegeven. Hierdoor is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Gelet op de ernst van het verzuim moet daaraan het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting worden verbonden. Er is onvoldoende ander bewijs zodat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde witwassen.
Naar het oordeel van het hof was gelet op het volgende sprake van een verdenking van een misdrijf. De politieambtenaren hebben de verdachte staande gehouden bij een verkeerscontrole. Hierbij zagen zij in de middenconsole van het voertuig twee telefoons liggen. Het was de politieambtenaren bekend dat drugsdealers doorgaans gebruik maken van meerdere telefoons. In de door de politieambtenaren geraadpleegde politiesystemen werd de verdachte gelinkt aan de handel en verkoop van verdovende middelen. Recent werd bij de verdachte acht kilo verdovende middelen en twee vuurwapens in huis aangetroffen. Gedurende het onderzoek vertoonde de verdachte zenuwachtig gedrag. Hij stond te trillen en stotterde. Ook gaf hij direct aan zijn advocaat te willen bellen. Nu sprake was van een verdenking van misdrijf is de tas rechtmatig in beslag genomen op grond van artikel 94 en Pro 96 Sv. Anders dan de verdediging concludeert het hof dat geen sprake was van een onrechtmatige doorzoeking en van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Het ontbreken van een kennisgeving van inbeslagname maakt dit niet anders. Het ontbreken van een dergelijke kennisgeving tast de rechtmatigheid van de inbeslagname niet aan. Anders dan betoogd door de verdediging zal het hof de inhoud van de tas gebruiken voor het bewijs.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het geldbedrag dat is aangetroffen in de tas van misdrijf afkomstig is. Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, zoals tenlastegelegd onder feit 1.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer
15-069098-21 onder 1 en 2 primair en in de zaak met parketnummer 15-162076-21 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak met parketnummer 15-069098-211.
hij omstreeks 5 maart 2021 te Hoofddorp beveiligingsmedewerkers onder wie [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die beveiligingsmedewerkers onder wie
[slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen: "Ik sla jullie kankertanden uit jullie bek, ik maak jullie allemaal dood.";
2. primair
hij op 6 maart 2021 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan ambtenaren, te weten [benadeelde partij 1] (wachtmeester le klasse der Koninklijke Marechaussee), en [benadeelde partij 2] (hoofdagent van de Nationale Politie eenheid Noord-Holland), en [benadeelde partij 3] , (wachtmeester der Koninklijke Marechaussee) telkens gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten het handhaven van de openbare orde en de opsporing van strafbare feiten, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet
- de door hem, verdachte, bestuurde auto meermalen in beweging heeft gebracht, terwijl één van voormelde ambtenaren door de geopende deur reikte en hem - verdachte - vast had (dit telkens teneinde hem aan te houden), en
- vervolgens weg rijdend, terwijl voormelde ambtenaren in de directe nabijheid van de auto stonden waardoor deze ambtenaren zich met spoed uit de baan van auto moesten begeven/weg springen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Zaak met parketnummer 15-162076-21
1.
hij op 19 november 2020, te Alkmaar, van een voorwerp, te weten een groot geldbedrag (te weten € 9.830), de herkomst heeft verborgen en/of verhuld en voornoemd geldbedrag voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist, dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
2.
hij op 19 november 2020 te Alkmaar, zich met geweld, heeft verzet tegen meerdere ambtenaren, TO040084 (aspirant van de politie) en/of TO040085 (aspirant van de politie), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten de fouillering van verdachte, door opzettelijk rukkende, trekkende en duwende bewegingen te maken met zijn armen in een richting tegengesteld aan die waarin voornoemde ambtenaren verdachte trachtten te geleiden/brengen.
Hetgeen in de zaak met parketnummer 15-069098-21 onder 1 en 2 primair en in de zaak met parketnummer 15-162076-21 onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak met parketnummer 15-069098-21 onder 1 en 2 primair en in de zaak met parketnummer 15-162076-21 onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in de zaak met parketnummer 15-069098-21 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.
Het in de zaak met parketnummer 15-069098-21 onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.
Het in de zaak met parketnummer 15-162076-21 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
witwassen.
Het in de zaak met parketnummer 15-162076-21 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
wederspannigheid.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 15-069098-21 onder 1 en 2 primair en in de zaak met parketnummer 15-162076-21 onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden waarvan zeven maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De verdediging heeft verzocht om het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf. Daarmee wordt volgens de verdediging de ernst van de feiten tot uitdrukking gebracht en blijft een forse stok achter de deur bestaan, terwijl ook wordt voorkomen dat de positieve ontwikkeling in de houding en het gedrag van de verdachte wordt doorkruist. Daarnaast heeft de verdediging verzocht rekening te houden met artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht, de reeds ondergane detentie van de verdachte, de jonge leeftijd van de verdachte ten tijde van de feiten en de overschrijding van de redelijke termijn.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich ten eerste schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van meerdere beveiligers van een hotel. De verdachte heeft de slachtoffers door de bedreiging angst aangejaagd en er blijk van gegeven het gezag van de beveiligers niet te respecteren. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van verbalisanten, waardoor één van de verbalisanten daadwerkelijk letsel heeft opgelopen. Door zijn handelen heeft hij het gezag van de verbalisanten ondermijnd en de uitoefening van de publieke taak van zowel de politie als de Koninklijke Marechaussee belemmerd. Het hof rekent dit de verdachte aan. Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen van een geldbedrag ter hoogte van € 9.830,00. Witwassen vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële verkeer aan. Daarnaast werkt het faciliterend voor ander strafbaar handelen. Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid. De verdachte heeft door zijn handelen het werk van de politie bemoeilijkt en geen respect getoond voor het openbaar gezag.
Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 februari 2026 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor soortgelijke feiten. Het hof neemt dit mee in het nadeel van de verdachte.
In beginsel acht het hof de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf passend en geboden.
Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte door het afleggen van een uitgebreide bekennende verklaring ter terechtzitting in hoger beroep blijk gegeven dat hij op de goede weg is. De verdachte heeft zijn excuses aangeboden aan de benadeelde partij en spijt betuigd. De verdachte heeft daarnaast verklaard dat hij veel nadeel ondervindt van zijn achternaam, maar tevens aangegeven dat hij nu het beste uit zijn leven wil gaan halen. Het hof neemt dit in positieve zin mee bij de strafoplegging. Wel overweegt het hof dat het gaat om meerdere ernstige feiten waarvoor het maken van excuses alleen niet voldoende is. Gelet op de ernst van de feiten kan daarom niet worden volstaan met enkel een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf omdat een duidelijk signaal moet worden gegeven dat het gedrag dat de verdachte heeft vertoond niet door de beugel kan.
Gelet op het voorgaande neemt het hof een gevangenisstraf voor de duur van 36 weken waarvan
16 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren als uitgangspunt.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is overschreden. De redelijke termijn is in eerste aanleg aangevangen op 11 maart 2021, de dag dat de verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft in deze zaak vonnis gewezen op
11 april 2023. Dit brengt een overschrijding van de redelijke termijn van één maand met zich.
De redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 19 april 2023, de dag dat namens de verdachte hoger beroep is ingesteld. Het hof doet op 27 februari 2026 uitspraak. Gelet hierop is de redelijke termijn in hoger beroep met ruim tien maanden overschreden. In die omstandigheid ziet het hof aanleiding om de duur van de op te leggen gevangenisstraf met twee weken te verminderen.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 34 weken waarvan 16 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Beslag

Onder de verdachte is een geldbedrag van € 9.830,00 in beslag genomen en nog niet teruggegeven. Dit geldbedrag behoort de verdachte toe.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het geldbedrag verbeurd wordt verklaard. De verdediging heeft verzocht dit geldbedrag aan de verdachte terug te geven.
Het in de zaak met parketnummer 15-162076-21 onder 1 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot dit geldbedrag. Daarom zal het geldbedrag verbeurd worden verklaard.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 750,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 400,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen.
De raadsman heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren gelet op de bepleite vrijspraak voor de poging tot zware mishandeling. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat geen sprake is van ‘aantasting op andere wijze in de persoon’ nu geen medische of anderszins objectieve informatie is overgelegd waaruit psychisch letsel blijkt. Om die reden heeft de raadsman verzocht de vordering af te wijzen, dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.
Het hof stelt voorop dat ook als er geen sprake is van objectief vastgesteld geestelijk letsel, een aantasting in de persoon kan worden aangenomen, namelijk indien de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde die conclusie rechtvaardigen. Dat sprake is van objectief vastgesteld geestelijk letsel is in dit geval gesteld noch gebleken. De aard en ernst van de normschending volgen uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en bij het hof en uit de bewijsmiddelen waarin de specifieke omstandigheden van het gebeuren zijn geconcretiseerd, zoals deze na eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling. Tevens heeft het hof acht geslagen op de toelichting van de benadeelde partij zoals opgenomen in het verzoek tot schadevergoeding. Al met al is het hof van oordeel dat sprake is van een aantasting in zijn persoon op andere wijze, waarbij de gestelde immateriële schade rechtsreeks voortvloeit uit het onder 2 primair bewezenverklaarde. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van artikel 6:106 BW Pro naar billijkheid schatten op € 400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
6 maart 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige kan de benadeelde partij niet in de vordering worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 750,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 400,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen.
De raadsman heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren gelet op de bepleite vrijspraak voor de poging tot zware mishandeling. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat geen sprake is van ‘aantasting op andere wijze in de persoon’ nu geen medische of anderszins objectieve informatie is overgelegd waaruit psychisch letsel blijkt. Om die reden heeft de raadsman verzocht de vordering af te wijzen, dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.
Het hof stelt voorop dat ook als er geen sprake is van objectief vastgesteld geestelijk letsel, een aantasting in de persoon kan worden aangenomen, namelijk indien de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde die conclusie rechtvaardigen. Dat sprake is van objectief vastgesteld geestelijk letsel is in dit geval gesteld noch gebleken. De aard en ernst van de normschending volgen uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en bij het hof en uit de bewijsmiddelen waarin de specifieke omstandigheden van het gebeuren zijn geconcretiseerd, zoals deze na eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling. Tevens heeft het hof acht geslagen op de toelichting van de benadeelde partij zoals opgenomen in het verzoek tot schadevergoeding. Al met al is het hof van oordeel dat sprake is van een aantasting in zijn persoon op andere wijze, waarbij de gestelde immateriële schade rechtsreeks voortvloeit uit het onder 2 primair bewezenverklaarde. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van artikel 6:106 BW Pro naar billijkheid schatten op € 400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
6 maart 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige kan de benadeelde partij niet in de vordering worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 750,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen.
De raadsman heeft de vordering van de benadeelde partij niet betwist en verzocht aansluiting te zoeken bij het vonnis van de rechtbank, waarin het bedrag naar billijkheid is vastgesteld op € 750,00 aan immateriële schade.
Het hof overweegt als volgt.
De benadeelde partij heeft door het handelen van de verdachte lichamelijk letsel opgelopen, te weten letsel aan zijn knie. Gelet op het voorgaande heeft de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht op vergoeding van immateriële schade. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, zal het hof de vordering tot immateriële schadevergoeding toewijzen tot een bedrag van € 750,00.
Het hof neemt bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade de Rotterdamse Schaal tot uitgangspunt. Alles afwegend, stelt het hof de omvang van de immateriële schade daarom naar billijkheid vast op € 750,00.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45, 57, 63, 180, 285, 302, 304 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer
15-069098-21 onder 1 en 2 primair en in de zaak met parketnummer 15-162076-21 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 15-069098-21 onder 1 en 2 primair en in de zaak met parketnummer 15-162076-21 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
34 (vierendertig) weken.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
16 (zestien) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- geldbedrag van € 9.830,00.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-069098-21 onder 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[benadeelde partij 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-069098-21 onder 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 6 maart 2021.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-069098-21 onder 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[benadeelde partij 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-069098-21 onder 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 6 maart 2021.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-069098-21 onder 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[benadeelde partij 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-069098-21 onder 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 6 maart 2021.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. J.J. Roos en mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, in tegenwoordigheid van mrs. S.B. Zoet en L.M. van Leeuwen, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 februari 2026.
mr. J.J. Roos, mr. A.M. Koolen-Zwijnenburg en mr. S.B. Zoet zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.