De betrokkene werd eerder veroordeeld voor het telen van 667 hennepplanten en stroomdiefstal. In hoger beroep is de ontnemingsvordering van het openbaar ministerie heroverwogen. Het hof stelde vast dat de hennepteelt plaatsvond in twee kweekruimtes met eerdere oogsten, wat leidde tot een hogere opbrengst dan door de politierechter vastgesteld.
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel werd gebaseerd op 333 planten per ruimte, een opbrengst van 25,1 gram per plant en een marktwaarde van €4,07 per gram. Kosten zoals afschrijving, stekken, variabele kosten, elektriciteit en huur werden in mindering gebracht. Dit resulteerde in een voordeel van €56.631.
De betrokkene voerde aan dat hij slechts een derde van de winst ontving en dat anderen betrokken waren, maar het hof achtte deze verklaringen ongeloofwaardig en onvoldoende onderbouwd. De betalingsverplichting werd gematigd tot €51.631 vanwege een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
Het hof vernietigde het eerdere vonnis en legde de betrokkene de verplichting op tot betaling van dit bedrag aan de Staat, met een maximale gijzelingstermijn van 516 dagen bij niet-betaling.