ECLI:NL:GHAMS:2026:541

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
23-002544-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 378a SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt en stroomdiefstal

De betrokkene werd eerder veroordeeld voor het telen van 667 hennepplanten en stroomdiefstal. In hoger beroep is de ontnemingsvordering van het openbaar ministerie heroverwogen. Het hof stelde vast dat de hennepteelt plaatsvond in twee kweekruimtes met eerdere oogsten, wat leidde tot een hogere opbrengst dan door de politierechter vastgesteld.

De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel werd gebaseerd op 333 planten per ruimte, een opbrengst van 25,1 gram per plant en een marktwaarde van €4,07 per gram. Kosten zoals afschrijving, stekken, variabele kosten, elektriciteit en huur werden in mindering gebracht. Dit resulteerde in een voordeel van €56.631.

De betrokkene voerde aan dat hij slechts een derde van de winst ontving en dat anderen betrokken waren, maar het hof achtte deze verklaringen ongeloofwaardig en onvoldoende onderbouwd. De betalingsverplichting werd gematigd tot €51.631 vanwege een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Het hof vernietigde het eerdere vonnis en legde de betrokkene de verplichting op tot betaling van dit bedrag aan de Staat, met een maximale gijzelingstermijn van 516 dagen bij niet-betaling.

Uitkomst: Het hof legt de betrokkene een betalingsverplichting van €51.631 op ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-002544-22 (ontneming)
Datum uitspraak: 3 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 13 september 2022 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer
13-190377-20 tegen de betrokkene:
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] ,
adres: [adres] .

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat het bedrag waarop het wederechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt geschat, wordt vastgesteld op € 155.731,08 en aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering verlaagd tot € 154.502,01.
De politierechter heeft bij vonnis van 13 september 2022 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 150.201,98 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
Namens de betrokkene is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Veroordeling

De betrokkene is bij arrest van dit hof van 25 mei 2021 (parketnummer 23-002589-20) veroordeeld ter zake van – kort gezegd – het op 20 februari 2020 telen van 667 hennepplanten en diefstal van stroom. De Hoge Raad heeft deze uitspraak bij arrest van 23 mei 2023 (nummer 21/02333) vernietigd, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 januari 2026.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering en het hof tot een andere beslissing komt.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 105.902,00. Zij gaat daarbij uit van in totaal 667 hennepplanten, verdeeld over twee kweekruimtes, en één eerdere oogst in ruimte A en twee eerdere oogsten in ruimte B. De kosten van de huur van de woning en het netverlies moeten op de opbrengst in mindering worden gebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op € 10.000,00. Hij heeft daartoe aangevoerd dat eenmaal in kweekruimte B is geoogst met 333 hennepplanten. De betrokkene heeft vervolgens een derde deel van de winst ontvangen. Omdat de betrokkene de rekening van Liander N.V. van € 6.199,62 inmiddels heeft betaald, resteert een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 3.800,38. Subsidiair – indien het hof aannemelijk acht dat zowel in ruimte A als ruimte B is geoogst – heeft de raadsman verzocht een bedrag van € 19.755,56 als wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen. Indien het hof ervan uitgaat dat de betrokkene alles alleen heeft gedaan, dan heeft de raadsman meer subsidiair verzocht van één eerdere oogst uit te gaan en de kosten van Liander N.V. op het bedrag in mindering te brengen.
Het oordeel van het hof
Grondslag
De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en voordeel door dat feit of uit de baten daarvan heeft verkregen. Ook kan wederrechtelijk voordeel verkregen uit andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, worden ontnomen (artikel 36e, tweede lid, Sr).
De betrokkene is bij arrest van dit hof van 25 mei 2021 veroordeeld voor hennepteelt op 20 februari 2020. Het hof is van oordeel dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene andere strafbare feiten heeft begaan, namelijk dat hij zich in de periode voorafgaand aan 20 februari 2020 schuldig heeft gemaakt aan het telen van hennepplanten. Dit blijkt uit de mate van vervuiling van de op 20 februari 2020 in de woning van de betrokkene aangetroffen hennepkwekerij, waaronder hennepafval in vuilniszakken en op de grond, scharen en een knipmachine met hennepresten, vuile koolstoffilters, stof op de kappen van de armaturen van de assimilatielampen en kalkaanslag op de afvoeren en
watervaten/-bakken. [1]
Opbrengst
In de woning van de betrokkene waren in de woonkamer twee ruimtes gemaakt die als kwekerij waren ingericht, waarbij in ruimte A geen hennepplanten en in ruimte B 667 hennepplanten zijn aangetroffen. [2] Het hof is van oordeel dat voldoende aanwijzingen bestaan voor een eerdere oogst in zowel ruimte A als ruimte B. Beide ruimtes waren compleet ingericht als hennepkwekerij en in beide ruimtes was sprake van vuile koolstoffilters en stof op de armaturen. [3]
Het hof acht aannemelijk dat de in ruimte B aangetroffen 667 hennepplanten verdeeld moesten worden over de twee kweekruimtes. Beide ruimtes waren ongeveer vier bij vier meter groot. Dit brengt met zich dat in iedere ruimte afgerond 333 hennepplanten en 21 hennepplanten per vierkante meter zijn gekweekt. [4] De opbrengst hennep in grammen wordt ontleend aan de algemene uitgangspunten die zijn opgenomen in het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht’ van het Functioneel Parket Afpakken zoals herzien per 1 juni 2016 en bedraagt in dit geval (anders dan de in het in deze zaak opgemaakte ontnemingsrapport opgenomen 30,8 gram) 25,1 gram per plant.
Kosten
Het hof zal voor de afschrijvingskosten, de inkoopprijs van de stekken en de overige variabele kosten uitgaan van hetgeen daarover in het hiervoor genoemde rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht’ is opgenomen. Elektriciteitskosten worden in mindering gebracht indien aannemelijk is dat deze kosten daadwerkelijk zijn betaald. Het hof zal een bedrag van € 3.099,81 – het netverlies en de netbeheerkosten overeenkomstig de nota van Liander N.V., gedeeld door twee – in mindering brengen. [5] Daarnaast zal het hof de kosten van de huur van de woning in mindering brengen. De kosten van de huur bedragen voor een kweekperiode van tien weken in totaal € 2.683,33 (€ 1.150,00 per maand [6] / 30 dagen = € 38,33 per dag).
Toerekening
De betrokkene heeft op 26 juni 2020 bij de politie verklaard dat hij zijn huis eind oktober, begin november 2019 had onderverhuurd aan een Vietnamese man die hij in een gokhal had ontmoet en dat hij niets wist van de hennepkwekerij. In een e-mailbericht van de betrokkene aan zijn raadsman van 17 januari 2026 heeft de betrokkene verklaard dat hij zijn woning beschikbaar had gesteld voor hennepteelt en dat hij in contact kwam met twee mannen die hier ervaring mee hadden. De afspraak was dat hij zijn woning voor één jaar ter beschikking zou stellen en dat de winst door drie gedeeld zou worden. Op de terechtzitting in hoger beroep van 20 januari 2016 heeft de betrokkene eerst verklaard dat hij de twee mannen ‘via via’ had ontmoet en dat zij samen af en toe wiet rookten. Daarna heeft hij verklaard dat hij deze mannen buiten tegenkwam of in het casino. Vervolgens heeft hij verklaard dat hij de mannen in een ‘shishatent’ heeft leren kennen.
Het hof acht deze verklaringen van de betrokkene niet geloofwaardig. De betrokkene heeft verschillende verklaringen afgelegd. Daarnaast is zijn verklaring over de betrokkenheid van twee anderen bij de hennepkwekerij op geen enkele wijze onderbouwd. Dat sprake zou zijn geweest van twee andere betrokkenen is ook overigens niet aannemelijk geworden. Het standpunt van de raadsman dat de betrokkene een derde deel van de winst heeft ontvangen, wordt daarom verworpen.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Gelet op het voorgaande wordt de berekening als volgt.
Opbrengst
Kweekruimte A:
333 planten x 25,1 gram (21 planten per vierkante meter) 8.358,3 gram hennep
Opbrengst per oogst: 8.358,3 gram hennep x € 4,07 € 34.018,28
Kweekruimte B:
333 planten x 25,1 gram (21 planten per vierkante meter) 8.358,3 gram hennep
Opbrengst per oogst: 8.358,3 gram hennep x € 4,07 € 34.018,28
Totale opbrengst beide kweekruimtes € 68.036,56
Kosten
Kweekruimte A:
Afschrijvingskosten (333 planten) € 250,00
Inkoopprijs stekken (333 x € 3,81) € 1.268,73
Overige variabele kosten (333 x € 3,88) € 1.292,04
Kosten per oogst € 2.810,77
Kweekruimte B:
Afschrijvingskosten (333 planten) € 250,00
Inkoopprijs stekken (333 x € 3,81) € 1.268,73
Overige variabele kosten (333 x € 3,88) € 1.292,04
Kosten per oogst € 2.810,77
Elektriciteitskosten € 3.099,81
Huisvestingskosten € 2.683,33
Totale kosten beide kweekruimtes € 11.404,68
Wederrechtelijk verkregen voordeel
Het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt naar het oordeel van het hof:
€ 68.036,56 - € 11.404,68 = (afgerond)
€ 56.631,00.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 105.000,00, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de betalingsverplichting te matigen met tien procent, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
Het oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) alleen in hoger beroep is overschreden. Het hoger beroep is ingesteld op 26 september 2022 en de ontnemingszaak is in hoger beroep afgerond bij arrest van 3 maart 2026. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren per instantie is deze termijn in hoger beroep met ongeveer 17 maanden overschreden. Het hof ziet daarin aanleiding het te betalen bedrag te matigen met een bedrag van € 5.000,00.
Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 51.631,00.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 56.631,00 (zesenvijftigduizend zeshondereenendertig euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 51.631,00 (eenenvijftigduizend zeshonderdeenendertig euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 516 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. A.M. Koolen-Zwijnenburg en mr. C. Beuze, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 maart 2026.

Voetnoten

1.Een aangifteformulier van Liander N.V. van 10 maart 2020 (doorgenummerde pagina’s B 017 en B 020).
2.Een proces-verbaal van bevindingen van 28 april 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pagina B 027).
3.Een aangifteformulier van Liander N.V. van 10 maart 2020 (doorgenummerde pagina B 017).
4.Een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 1 juli 2020 (pagina 5).
5.Een aangifteformulier van Liander N.V. van 10 maart 2020 (doorgenummerde pagina B 011). Het hof deelt de kosten door twee, omdat Liander N.V. bij de berekening van die kosten is uitgegaan van twee eerdere oogsten, terwijl het hof bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaat van één eerdere oogst.
6.De verklaring van de betrokkene, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 20 januari 2026.