ECLI:NL:GHAMS:2026:609

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
200.358.730/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c lid 1 BWArt. 1:253c lid 2 BWArt. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gezamenlijk gezag en verdeling schoolvakanties tussen ouders

De vader is in hoger beroep gekomen tegen de afwijzing van zijn verzoek om gezamenlijk gezag te verkrijgen over zijn minderjarige kind en om de schoolvakanties gelijk te verdelen. De rechtbank had deze verzoeken afgewezen. De moeder oefent momenteel het enige gezag uit en is niet verschenen in hoger beroep.

Het hof overweegt dat gezamenlijk gezag het wettelijke uitgangspunt is en dat afwijzing alleen aan de orde is bij onaanvaardbare risico's voor het kind. De vader heeft overtuigend gesteld dat de communicatie tussen de ouders sinds de rechtbankzitting aanzienlijk is verbeterd, met respectvolle omgang en goede afspraken over de omgang en vakanties.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseert gezamenlijk gezag als uitgangspunt en ziet geen contra-indicaties. Het hof concludeert dat er geen risico is dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders bij gezamenlijk gezag.

Het hof wijst het verzoek van de vader toe om gezamenlijk gezag te verkrijgen en de schoolvakanties gelijk te verdelen. Tevens wordt de omgangsregeling aangevuld zodat de omgang in even weekenden plaatsvindt. De beschikking van de rechtbank wordt op deze punten vernietigd en vervangen door deze beslissing.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vader toe tot gezamenlijk gezag en gelijke verdeling van de schoolvakanties met een aangepaste omgangsregeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.358.730/01
zaaknummer rechtbank: C/15/341678 / FA RK 23-3172
beschikking van de meervoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. A.C.M. Montessori te Almere,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] , geboren [in] 2017 te [plaats C] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag,
locatie Haarlem,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over het gezag over [minderjarige] en de vakantieregeling. De rechtbank heeft de verzoeken van de vader afgewezen om te bepalen dat hij gezamenlijk met de moeder met het gezag over [minderjarige] wordt belast en dat [minderjarige] de helft van de schoolvakanties bij hem zal zijn.
De vader is het daar niet mee eens en wil dat zijn verzoeken alsnog worden toegewezen.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 4 september 2025 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 4 juni 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland (locatie: Haarlem) (hierna: de rechtbank).
2.2
De moeder heeft geen verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- een mailbericht van de zijde van de vader van 12 januari 2026 met bijlage (akte erkenning [minderjarige] );
- een mailbericht van de zijde van de vader van 14 januari 2026 met bijlage (proces-verbaal eerste aanleg).
2.4
Het hof heeft [minderjarige] de gelegenheid gegeven om te laten weten wat zij van de zaak vindt. Zij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
2.5
De zitting heeft op 16 januari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door V. Aelbers.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, zonder kennisgeving niet op de zitting verschenen.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn de ouders van [minderjarige] .
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad. De moeder oefent alleen het gezag uit over [minderjarige] .
3.2
Bij (tussen)beschikking van de rechtbank van 1 augustus 2023 is mr. M. Bootsma te Haarlem als bijzondere curator over [minderjarige] benoemd.
3.3
Bij de in zoverre niet bestreden beschikking heeft de rechtbank aan de vader vervangende toestemming verleend om [minderjarige] te erkennen. De akte van erkenning is op 8 december 2025 opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [plaats C] .
3.4
In de in zoverre niet bestreden beschikking is (naast de vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige] ) een omgangsregeling vastgesteld waarbij [minderjarige] eenmaal in de veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur (na het avondeten) bij de vader verblijft, waarbij de vader verantwoordelijk is voor het halen en brengen van [minderjarige] .

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, de verzoeken van de vader afgewezen om de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten over [minderjarige] en om te bepalen dat de (school)vakanties bij helfte tussen de ouders worden verdeeld.
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre,
- te bepalen dat hij na erkenning van [minderjarige] tezamen met de moeder zal worden belast met het gezag over haar;
- te bepalen dat hij de helft van de schoolvakanties met [minderjarige] zal doorbrengen;
- te bepalen dat de bij bestreden beschikking onder 6.2 vastgestelde omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] zal worden aangevuld in die zin dat de omgang zal plaatsvinden in de even weekenden.
5. De motivering van de beslissing
Gezag
Het wettelijk kader
5.1
Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of
b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Het standpunt van de vader
5.2
De vader stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek heeft afgewezen om na erkenning van [minderjarige] belast te worden met het gezamenlijk gezag over haar.Gezamenlijk gezag is het wettelijk uitgangspunt en er zijn volgens de vader geen contra-indicaties aanwezig. Op de zitting bij de rechtbank is door de raad gesproken over de brug die [minderjarige] tussen de ouders moet slaan omdat zij niet goed tot elkaar komen. Dat heeft diepe indruk gemaakt op beide ouders, aldus de vader. Sindsdien is de communicatie tussen de ouders verbeterd en verloopt ook de omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader veel beter. De ouders zouden zich wenden tot het wijkteam in [plaats B] voor verbetering van de communicatie, maar hebben hier volgens de vader in onderling overleg vanaf gezien..
Het advies van de raad
5.3
Volgens de raad is gezamenlijk gezag het uitgangspunt. Uit hetgeen de vader naar voren heeft gebracht, kan de raad niet opmaken dat er sprake is van contra-indicaties. Indien gewenst biedt de raad aan onderzoek te doen naar de vraag welke gezagsbeslissing het meest in het belang is van [minderjarige] , maar geeft daarbij aan dat er een wachttijd van zes maanden is voordat een raadsonderzoek zou kunnen starten.
De beoordeling door het hof
5.4
Het hof overweegt als volgt.
Het wettelijk uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen. Afwijzing van het inleidend verzoek van de man kan dan ook alleen aan de orde zijn als één van de uitzonderingsgronden van het tweede lid van artikel 1:253c BW zich voordoet. Volgens vaste jurisprudentie brengt het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders niet zonder meer mee dat in het belang van het kind het gezag bij één van de ouders moet worden gelaten. Wel is voor gezamenlijk gezag vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders.
Ter zitting in hoger beroep heeft de vader naar het oordeel van het hof overtuigend naar voren gebracht dat de communicatie tussen de ouders sinds de zitting bij de rechtbank aanzienlijk is verbeterd. Zo zijn er geen ruzies meer tussen de ouders en behandelen zij elkaar met respect. Er is een goed telefonisch contact tussen de ouders en als [minderjarige] bij de moeder is, belt zij ook regelmatig met de vader. De band tussen [minderjarige] en haar beide ouders is goed. Ook de omgangsregeling verloopt naar wens en het is de ouders tot nu toe gelukt om goede afspraken te maken over de verdeling van de vakanties, waarbij ook is gebleken dat er ruimte is voor flexibiliteit. Zo hebben de ouders afgesproken dat de vriendin van de vader [minderjarige] mag komen ophalen bij de moeder voor de omgang en is [minderjarige] in de afgelopen kerstvakantie op haar verzoek langer bij de vader gebleven, nadat de ouders hier onderling overleg over hadden gehad.
Het hof stelt vast dat de moeder in hoger beroep geen verweerschrift heeft ingediend en ook, zonder kennisgeving aan het hof, niet ter zitting in hoger beroep is verschenen om haar standpunt kenbaar te maken. De vader heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven dat hij de dag vóór de zitting contact heeft gehad met de moeder en dat zij nu in Suriname verblijft. Zij was volgens hem wel op de hoogte van de zitting. Het hof heeft dus niet van de moeder kunnen vernemen hoe zij vindt dat de communicatie tussen de ouders verloopt, maar acht hetgeen de vader hierover naar voren heeft gebracht overtuigend.
Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat er geen contra-indicaties zijn voor gezamenlijk gezag. Niet aannemelijk is geworden dat bij het gezamenlijk uitoefenen van het gezag over [minderjarige] thans een onaanvaardbaar risico zou bestaan dat zij klem of verloren zou raken tussen de ouders of dat afwijzing van het verzoek van de vader anderszins in haar belang noodzakelijk zou zijn. Het hof zal het verzoek van de vader om gezamenlijk met de moeder te worden belast met het gezag over [minderjarige] dan ook toewijzen.
Zorg- en vakantieregeling
5.5
Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder meer omvatten
een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken. De rechter neemt daarbij een zodanige beslissing als hem in het belang van de het kind wenselijk voorkomt.
5.6
Zoals hiervoor onder 5.4 weergegeven verloopt de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling (vanaf nu aangeduid als zorgregeling) tussen de vader en [minderjarige] goed en lukt het de ouders om onderling afspraken te maken over de verdeling van de vakanties. [minderjarige] heeft in de zomervakantie van 2025 twee weken bij de vader verbleven en daarnaast ook een groot deel van de kerstvakantie. Het hof is dan ook van oordeel dat het verzoek van de vader om de schoolvakanties bij helfte te verdelen, in het belang van [minderjarige] kan worden toegewezen en zal dat ook doen. Ook zal het hof het verzoek van de vader om de zorgregeling aan te vullen in die zin dat de omgang tussen hem en [minderjarige] zal plaatsvinden in de even weekenden, toewijzen.
5.7
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw rechtdoende;
belast de ouders gezamenlijk met het gezag over de minderjarige [minderjarige] ;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register;
vult de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling aan in die zin dat [minderjarige] eens in de veertien dagen
in de even weekendenvan vrijdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur (na het avondeten) bij de vader verblijft, waarbij de vader verantwoordelijk is voor het halen en brengen van [minderjarige] ;
bepaalt dat de schoolvakanties tussen de ouders bij helfte worden gedeeld;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. T.M. Subelack en
mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van mr. V.A.M. Willemsen als griffier en is op 10 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.