Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[geïntimeerde 1] ,
[geïntimeerde 2] ,
Gerechtshof Amsterdam
Deze zaak betreft een burenrechtelijk geschil tussen appellant en geïntimeerden over ramen in een uitbouw die uitzicht geven op balkons van geïntimeerden. De balkons worden als erf aangemerkt in de zin van artikel 5:50 BW Pro. Het hof bevestigt dat de ramen in de uitbouw van appellant in strijd zijn met artikel 5:50 lid 1 BW Pro omdat zij zich op minder dan twee meter afstand bevinden en uitzicht geven op het erf van geïntimeerden. Daarom moeten deze ramen worden voorzien van vaststaande matglazen ramen.
Het hof oordeelt daarnaast dat er geen sprake is van onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 BW Pro. Hoewel geïntimeerden hinder ervaren door het uitzicht vanuit de ramen, is deze hinder niet van dien aard dat deze onrechtmatig is. De hinder is van permanente aard, maar het ondoorzichtig maken van de ramen beperkt de privacy-aantasting aanzienlijk. Bovendien is er geen bewijs dat appellant of haar huurders daadwerkelijk gebruik maken van het uitzicht om geïntimeerden te bespieden.
Appellant had verzocht het vonnis te vernietigen of te wijzigen, maar deze grieven worden verworpen. Ook de subsidiaire vordering om de ramen slechts vast te zetten en te voorzien van matglazen folie wordt afgewezen. Het hof veroordeelt appellant in de proceskosten van het principaal hoger beroep en veroordeelt geïntimeerden in de kosten van het incidenteel hoger beroep. Het vonnis van de rechtbank Amsterdam wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat appellant de ramen in de uitbouw moet voorzien van vaststaande matglazen ramen en oordeelt dat er geen onrechtmatige hinder is.