ECLI:NL:GHAMS:2026:733

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
23-001856-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep: taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf voor computervredebreuk en poging tot afdreiging

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor computervredebreuk en poging tot afdreiging, waarbij hij gedurende een lange periode persoonsgegevens van klanten van zijn voormalige werkgever verzamelde en probeerde via een dreigmail €50.000 in bitcoins af te dwingen. Bij uitblijven van betaling dreigde hij de gegevens van 15.000 personen openbaar te maken.

In hoger beroep bevestigde het hof de bewezenverklaring, maar vernietigde het de opgelegde straf. Het hof hield rekening met de ernst van de feiten, de lange pleegperiode en het feit dat de verdachte niet eerder was veroordeeld. Tevens nam het hof de positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte mee, zoals het stoppen met gokken, het hebben van een vaste baan en een eigen woning.

Het hof legde daarom een taakstraf van 240 uur op, een geldboete van €12.500 en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar. Tevens werd de tijd die de verdachte in voorarrest had doorgebracht in mindering gebracht op de taakstraf. De redelijke termijn was in eerste aanleg met ruim drie maanden overschreden, maar het hof vond dit beperkt en volstond met een constatering hiervan.

Uitkomst: Taakstraf van 240 uur, geldboete van €12.500 en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden opgelegd.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001856-25
datum uitspraak: 27 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 12 augustus 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-116158-23 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1997,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
13 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit daarom bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straffen

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechtbank is opgelegd.
De raadsman heeft primair bepleit om aan de verdachte een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om oplegging van een kortere gevangenisstraf, zodat de verdachte zijn baan kan behouden. De raadsman heeft hieraan ten grondslag gelegd – kort gezegd – dat de verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest, hij weet dat hij een fout heeft gemaakt en zijn leven op orde heeft. Hij heeft een huis en een baan en zou bij een (lange) gevangenisstraf alles kwijtraken.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan computervredebreuk en een poging tot afdreiging. De verdachte heeft gedurende een lange periode gegevens verzameld van klanten van zijn voormalige werkgever. Vervolgens heeft hij geprobeerd zijn voormalige werkgever via een e-mail te dwingen tot afgifte van € 50.000,00 in de vorm van bitcoins. In het geval van uitblijven van de betaling heeft de verdachte gedreigd de gegevens van 15.000 personen openbaar te maken. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de verzamelde gegevens ook heeft verkocht. Op de gegevensdragers van de verdachte zijn voornamelijk persoonsgegevens aangetroffen van personen van vijftig jaar of ouder. Naar het oordeel van het hof loopt deze groep een groter risico om slachtoffer te worden van fraude. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij, in zijn streven naar geldelijk gewin om zijn (gok)schulden te bekostigen, geen rekening heeft gehouden met de mogelijke gevolgen van zijn handelen.
Het hof acht, gelet op de ernst van de feiten en de lange pleegperiode, de in eerste aanleg opgelegde straf in beginsel dan ook passend en geboden.
Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 februari 2026 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. Daarnaast overweegt het hof dat ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte sinds het bewezenverklaarde een positieve wending aan zijn leven heeft gegeven. Hij heeft een vaste baan en een eigen woning en is gestopt met gokken. Op de zitting heeft de verdachte verteld waardoor hij tot zijn strafbare handelen is gekomen en blijk gegeven inzicht te hebben in zijn fouten. Het hof heeft daardoor de indruk dat de verdachte inziet dat hij volstrekt verkeerd heeft gehandeld. Het hof acht het niet wenselijk om de positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte te doorkruisen met een (kortdurende) gevangenisstraf. Het hof komt daarom tot een andere strafmodaliteit dan gevorderd door de advocaat-generaal, te weten een taakstraf in combinatie met een forse geldboete en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in eerste aanleg is overschreden. De redelijke termijn is aangevangen op 5 mei 2023, de dag dat de verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft in deze zaak vonnis gewezen op 12 augustus 2025. Dit brengt een overschrijding van de redelijke termijn van ruim drie maanden met zich. De procedure in hoger beroep wordt afgerond binnen zeven maanden. Er is sprake van een beperkte overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en de berechting in feitelijke aanleg is afgerond binnen het totaal van de voor elk van die procesfasen geldende termijnen. Het hof volstaat daarom met de enkele constatering dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van 240 uren, met aftrek van voorarrest, in combinatie met een geldboete ter hoogte van € 12.500,00 en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 45, 57, 138ab en 318 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 12.500,00 (twaalfduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
87 (zevenentachtig) dagen hechtenis.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. J.J. Roos en mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Zoet en mr. L.M. van Leeuwen, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 februari 2026.
mr. J.J. Roos, mr. A.M. Koolen-Zwijnenburg en mr. S.B. Zoet zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.