ECLI:NL:GHAMS:2026:748

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
200.342.269/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 AB1915Art. 6 AB1915Art. 25 AB1915Art. 6:217 BWArt. 6:38 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over canonherziening en onafhankelijkheid deskundigen bij erfpacht

Deze zaak betreft een geschil over de herziening van de canon van een erfpachtperceel en de aanwijzing van deskundigen voor de vaststelling daarvan. De erfpachter, vertegenwoordigd door appellanten, betwist de onafhankelijkheid van de door hem aangewezen deskundige en beroept zich op verjaring en ontbinding van de canonherzieningsregeling uit de AB1915.

De rechtbank wees de vorderingen van appellanten af, omdat de canonherzieningsovereenkomst uit 2022 rechtsgeldig tot stand was gekomen en de door appellanten aangewezen deskundige niet onafhankelijk was. Het hof bevestigt dit oordeel en overweegt dat de canonherziening uit 2002 niet rechtsgeldig is vernietigd en dat de Gemeente haar aanspraak op betaling steeds heeft gehandhaafd.

Het hof oordeelt dat de overeenkomst van 16 november 2022 een nieuwe procedure tot canonherziening regelt, waarbij partijen ieder een onafhankelijke deskundige moeten aanwijzen. De door appellanten aangewezen deskundige is onvoldoende onafhankelijk vanwege zijn rol als voorzitter van SEBA en zijn belangenverstrengeling. De Gemeente heeft terecht haar verplichting tot aanwijzing van een deskundige opgeschort vanwege het verzuim van appellanten. Het hoger beroep wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de door de erfpachter aangewezen deskundige niet onafhankelijk is en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.342.269/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/736229/ HA ZA 23-626
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 maart 2026
in de zaak van

1.[appellant 1] ,

wonend in [plaats] ,
2.
[appellant 2] ,
wonend in [plaats] ,
appellanten,
advocaat: mr. J.A.F. Corten te Amsterdam,
tegen
GEMEENTE [plaats] ,
gevestigd te [plaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. K.M.V. Zournas te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellanten] en de Gemeente genoemd.

1.De zaak in het kort

Deze zaak gaat over een canonherziening en de in dat verband door partijen aan te wijzen deskundigen. Net als de rechtbank oordeelt het hof dat de door de erfpachter aangewezen deskundige niet onafhankelijk is.

2.Het geding in hoger beroep

[appellanten] zijn als erfgenamen van [naam 1] (hierna: [naam 1] ) bij dagvaarding van 29 mei 2024 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 6 maart 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [naam 1] als eiser en de Gemeente als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, met producties.
Op 28 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd.
Vervolgens is de zaak aangehouden in verband met schikkingsonderhandelingen. Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

3.1.
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2.
[naam 1] is op [datum] overleden. [appellanten] zijn door hem benoemd tot zijn enige erfgenamen.
3.3.
[naam 1] heeft in 1974 het voortdurend recht van erfpacht geleverd gekregen van het perceel gelegen aan [straat] te [plaats] , waarvan de Gemeente eigenaar is. De afspraken over de canon (de vergoeding die de erfpachter aan de Gemeente moet betalen voor het gebruik van de grond) worden per tijdvak gemaakt.
3.4.
De Algemeene bepalingen voor voortdurende erfpacht 1915 (hierna: “de AB1915”) zijn op de overeenkomst van erfpacht van toepassing. De AB1915 bevatten een regeling voor herziening van de algemene bepalingen (artikel 5), een regeling voor herziening van de canon (artikel 6) en artikel 25 gaat Pro over de deskundigen. Deze artikelen luiden, voor zover hier van belang, als volgt:
Art. 5 Wijziging Pro der algemene bepalingen en haar inwerktreding
(1ste lid) De algemeene bepalingen, waaronder is uitgegeven, kunnen ten allen tijde door den Gemeenteraad worden herzien.
(2de lid) Wijzigingen, overeenkomstig het bepaalde in het voorgaande lid tot stand gekomen, treden bouwbloksgewijze in werking en wel voor de eerste maal op het tijdstip, waarop een termijn van 75 jaar is verloopen, sinds het eerste terrein in dat bouwblok in voortdurende erfpacht werd uitgegeven en vervolgens telkenmale na een termijn van 50 jaar.
(3de lid) Ten minste vier jaar voor afloop van een termijn, als in het voorgaande lid bedoeld, wordt den erfpachter en den hypotheekhouders op het erfpachtsrecht en de opstallen - den laatsten aan het door hen in ingevolge art. 1231 j° 1234 van het Burgerlijk Wetboek gekozen domicilie - kennis gegeven van de wijzigingen in de bepalingen, welke gedurende den volgenden termijn voor zijn recht van kracht zullen worden.
(4de lid) Ten aanzien van een erfpachter, aan wien een kennisgeving, als in het voorgaande lid bedoeld, niet is gedaan, wordt geacht in de bepalingen geen wijziging te zijn gebracht.
Art. 6 Wijziging Pro der pachtsommen en haar inwerkingtreding
(1ste lid) De jaarlijksche pachtsommen, waarvoor de terreinen in één bouwblok gelegen zijn uitgegeven, worden herzien telkenmale in het jaar, voorafgaande aan het laatste jaar van de termijnen in het 2de lid van art. 5 bedoeld Pro.
(2de lid) De herziening der pachtsommen geschiedt door deskundigen, welke daarbij rekening zullen houden met de wijziging der bepalingen, opgenomen in de kennisgeving, bedoeld in het 3de lid van art. 5; door de deskundigen zal van hun bevindingen een gemotiveerd proces-verbaal aan het Gemeentebestuur worden ingezonden.
(…)
Art. 25 Deskundigen Pro
(1ste lid) Zoo dikwijls in de bepalingen, waaronder een goed in erfpacht is uitgegeven, sprake is van deskundigen wordt daaronder verstaan een aantal van drie.
(2de lid) De aanwijzing van deskundigen geschiedt op aanzegging van Burgemeester en Wethouders, zoo mogelijk in eenstemmigheid tusschen Burgemeester en Wethouders eenerzijds en den erfpachter, ten behoeve van wiens goed de aanwijzing plaats vindt, anderzijds.
(3de lid) Indien, ter zake van de aanwijzing van deskundigen, partijen niet tot overeenstemming kunnen geraken binnen één maand na dagteekening van de aanzegging, bedoeld in het vorige lid, zal binnen 6 weken na genoemde dagteekening één deskundige moeten zijn aangewezen door ieder der partijen.
(4de lid) De beide aldus aangewezenen zullen binnen drie maanden na dagteekening van de aanzegging, in het 2de lid van dit artikel genoemd, een derden deskundige hebben aan te wijzen.
(5de lid) De aanwijzing van een deskundige door de Gemeente wordt schriftelijk ter kennis gebracht van den erfpachter. De aanwijzing van een deskundige door den erfpachter wordt schriftelijk ter kennis van de Gemeente gebracht. Van de aanwijzing van den derden deskundige wordt schriftelijk kennis gegeven gelijktijdig aan de Gemeente en aan den erfpachter.
(…)
3.5.
Het in artikel 5 van Pro de AB1915 bedoelde eerste tijdvak van vijfenzeventig jaar is geëindigd op 15 februari 2004.
3.6.
De Gemeente heeft bij brief van 4 maart 2002 aan [naam 1] de herziening van de canon aangezegd. Op grond van artikel 6 van Pro de AB1915 is de herziene canon op 3 september 2002 vastgesteld door drie deskundigen.
3.7.
[naam 1] heeft bij de Gemeente bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de herziene canon. Ook heeft hij geweigerd medewerking te verlenen aan het passeren van een notariële akte canonherziening. Hij heeft daarbij gewezen op procedures van andere erfpachters die zich op het standpunt stelden dat de deskundigenrapportages onvoldoende waren gemotiveerd en dat hoor- en wederhoor ontbrak. In die procedures is vast komen te staan dat onvoldoende gelegenheid is geboden tot hoor en wederhoor en de motivering van het deskundigenrapport zozeer tekortschoot dat gebondenheid daaraan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
3.8.
[naam 1] heeft op 16 mei 2010 aan de Stichting Erfpachters Belang Amsterdam (hierna: SEBA) een volmacht verstrekt om zijn belangen te behartigen ten aanzien van herziening van de canon.
3.9.
Bij brief van 4 augustus 2010 van de advocaat van [naam 1] aan de Gemeente heeft de advocaat van [naam 1] laten weten dat [naam 1] zich heeft aangesloten bij de zogenoemde SEBA-procedure over (onder meer) de rechtmatigheid van de grondslag van herziening van de canon (artikel 6 van Pro de AB1915). [naam 1] heeft de nietigheid, dan wel vernietiging van artikel 6 van Pro de AB1915 ingeroepen. Ook heeft [naam 1] gesteld zich niet aan het rapport van de deskundigencommissie van 3 september 2002 gebonden te achten.
3.10.
Bij brief van 31 oktober 2012 heeft de Gemeente aan [naam 1] onder meer het volgende geschreven:
U heeft zich aangesloten bij de SEBA (…) Met de SEBA is onder andere afgesproken dat u gedurende de procedure niet zult worden aangemaand om de akte canonherziening einde tijdvak te passeren en dat er geen incassomaatregelen worden getroffen indien u de canon niet of niet volledig betaalt. (…)
De Gemeente [plaats] behoudt zich het recht voor om, na de definitieve uitspraak in de procedure, u of uw rechtsopvolgers alsnog aan te manen om de akte canonherziening einde tijdvak te passeren en de bestaande canonachterstanden te voldoen.
(…)
In uw e-mail beroept u zich op verjaring (…) De verjaringstermijn bedraagt 5 jaar. Uw nota’s dateren van 16 augustus 2007 en u bent hiervan op 12 november 2010 en op 20 september 2012 op de hoogte gesteld. Hierdoor is de verjaringstermijn gestuit en is er geen verjaring ingetreden.
3.11.
In een gesprek tussen de Gemeente en [naam 1] van 17 april 2015 en in de brieven van 27 september 2016 en 5 oktober 2018 van de Gemeente aan [naam 1] heeft de Gemeente laten weten bereid te zijn het deskundigenrapport van 3 september 2002 buitengerechtelijk te vernietigen en gezamenlijk een nieuwe deskundigencommissie te benoemen om de canonherziening voor het tweede tijdvak opnieuw te laten vaststellen.
3.12.
De SEBA-procedure is met het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2018 geëindigd. Geoordeeld is dat artikel van de 6 AB1915 niet onredelijk bezwarend is.
3.13.
Bij brief van 20 mei 2020 heeft de Gemeente aan [naam 1] onder meer geschreven:
Gezien het feit dat u vanaf het begin of aan bezwaar heeft gemaakt tegen het deskundigenrapport en u daarom niet heeft meegewerkt aan het vastleggen van het rapport in een notariële CHET-akte heeft de heer [--] in dit gesprek aangegeven dat de gemeente bereid is om het deskundigenrapport buitengerechtelijk te vernietigen en de kosten (notariële kosten en kosten deskundigen) die aan u in rekening waren gebracht, kwijt te schelden.
Daarnaast is aangegeven dat wanneer u zou kiezen voor buitengerechtelijke vernietiging van het deskundigenrapport dit zou betekenen dat de canon voor het tweede tijdvak van uw erfpachtrecht opnieuw door onafhankelijk externe deskundigen dient te worden vastgesteld. Met andere woorden, een hertaxatie van uw erfpachtrecht.
3.14.
Bij brief van 1 maart 2021 heeft de Gemeente aan [naam 1] onder meer geschreven:
De gemeente heeft het taxatierapport nogmaals beoordeeld en is van oordeel dat dit taxatierapport mogelijk niet voldoet aan alle daaraan te stellen eisen. De gemeente accepteert om die reden het beroep op de vernietigbaarheid van het taxatierapport.
U kunt er daarom voor kiezen de canon opnieuw te laten vaststellen door deskundigen conform de reguliere canon herzieningsprocedure, zoals vastgelegd in de toepasselijke algemene bepalingen.(…)
De kosten van de taxatie komen voor de helft voor rekening van u en voor de andere helft voor rekening van de gemeente.
De hertaxatie vindt plaats door een commissie van drie deskundigen, daarvan wordt één deskundige door de gemeente aangewezen, één deskundige wordt door u aangewezen en één deskundige door deze twee deskundigen samen. De drie deskundigen stellen bindend en onafhankelijk van partijen de nieuwe erfpachtgrondwaarde en de nieuwe canon vast, zoals deze tussen partijen zullen gelden. De nieuwe erfpachtgrondwaarde en de nieuwe canon worden vastgelegd in een deskundigenrapport waarvan zowel de gemeente als de erfpachter een afschrift ontvangt. De hertaxatie is bindend. De gemeente verzoekt u op bijgaand antwoordformulier aan te geven welke deskundige u aanwijst, indien u voor hertaxatie kiest.
Het is op voorhand niet met zekerheid te zeggen of de canon naar aanleiding van de hertaxatie hoger, lager of gelijk zal worden vastgesteld.
(…)
Als u niet wilt dat de canon opnieuw wordt vastgesteld door deskundigen, kunt u er ook voor kiezen om het taxatierapport van 3 september 2002 alsnog te aanvaarden. De canon die in dit rapport wordt genoemd, gaat dan gelden voor de duur van het huidige erfpachttijdvak. Deze keus heeft als voordelen voor u dat er geen procedure meer hoeft te worden doorlopen voor de hertaxatie en dat u ook geen kosten hoeft te maken in verband met deze procedure. Daarbij weet u zeker dat de canon voor het huidige erfpachttijdvak niet hoger wordt dan de canon zoals vastgesteld in het vernietigde
taxatierapport.
(…)
Samengevat: wat moet u nu doen
1.
1. Canonvaststelling door deskundigen (hertaxatie)
Als u kiest voor hertaxatie door deskundigen dan kunt u dit aangeven op het bijgevoegde
antwoordformulier.(…)
2.
2. Alsnog aanvaarden taxatierapport
Als u ervoor kiest om het taxatierapport alsnog te accepteren dan kunt u dit aangeven op het bijgevoegde antwoordformulier. In dit geval kunt u op het antwoordformulier aangeven bij welke notaris u de notariële akte canonherziening einde tijdvak wilt laten passeren.(…)
3.15.
Het aan de brief van 1 maart 2021 gehechte antwoordformulier heeft [naam 1] op 16 november 2022 ondertekend en aan de Gemeente geretourneerd. [naam 1] heeft daarbij geopteerd voor een nieuwe deskundigencommissie om de canonherziening opnieuw vast te stellen en heeft gekozen voor drs. [naam 2] (hierna: [naam 2] ) als deskundige.
3.16.
In het e-mailbericht van 20 januari 2023 heeft de Gemeente aan (de advocaat van) [naam 1] laten weten dat zij de aanwijzing van [naam 2] als deskundige bij de hertaxatie van SEBA-dossiers niet kan accepteren. [naam 2] is voorzitter van de SEBA en daarnaast ook zelf als erfpachter betrokken bij de SEBA-procedure.
3.17.
Per e-mailbericht van 25 januari 2023 heeft (de advocaat van) [naam 1] het volgende aan de Gemeente geschreven:
Cliënt houdt vast aan de aanwijzing van [naam 2] als partij-deskundigen. Er is geen zakelijke relatie van [naam 2] tot het betrokken object. Van afhankelijkheid is geen sprake.
In artikel 25 lid Pro 3 AB1915 staat een termijn voor de verplichting van het aanwijzen van een deskundige aan de zijde van beide partijen. Hierbij stelt cliënt de gemeente nog twee weken in de gelegenheid om een deskundige aan te wijzen. Daarna verkeert de gemeente in verzuim. (…)
3.18.
De (advocaat van de) Gemeente heeft per brief en e-mailbericht van 13 februari 2023 aan (de advocaat van) [naam 1] het volgende geschreven:
(…) Naar de mening van de gemeente is er zeer gerede twijfel mogelijk over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de heer [naam 2] in zijn rol als eventuele te benoemen deskundige bij een canonherziening in bovengenoemde zaak. (…)
De gemeente stelt uw cliënt daarom nogmaals in de gelegenheid een andere deskundige aan te wijzen. Zo lang uw cliënt nalaat een deskundige aan te wijzen die voldoet aan de vereisten van onpartijdigheid en onafhankelijkheid, is de gemeente niet gehouden een deskundige aan te wijzen. (…)
3.19.
Op 21 februari 2023 heeft (de advocaat van) [naam 1] per e-mailbericht aan (de advocaat van) de Gemeente geschreven dat de Gemeente in verzuim verkeert en verder, voor zover hier van belang:
Client ontbindt hierbij artikel 6 AB1915 ten aanzien van de herziening na 75 jaar zoals vermeld in artikel 5 lid Pro 2 AB1915.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1.
In eerste aanleg heeft [naam 1] gevorderd – samengevat – na wijziging van eis dat de rechtbank bij vonnis:
I. primair: voor recht verklaart dat een beroep van de Gemeente op nakoming van de artikelen 5, 6 en 25 van de AB1915, dan wel van de overeenkomst van 16 november 2022 (hierna: de overeenkomst van 2022), met betrekking tot de canonherziening na het eerste tijdvak is verjaard waardoor een canonherziening pas weer aan het einde van het tweede tijdvak aan de orde is;
II. subsidiair: voor recht verklaart dat [naam 1] terecht een beroep heeft gedaan op gedeeltelijke ontbinding van de erfpachtovereenkomst, dan wel de AB1915, dan wel van de overeenkomst van 2022, waardoor een canonherziening pas weer aan het einde van het tweede tijdvak aan de orde is;
III. meer subsidiair: de Gemeente veroordeelt tot nakoming van de verplichting tot het benoemen van een deskundige, welke verplichting voortvloeit uit de artikelen 5, 6 en 25 van AB1915, dan wel uit de overeenkomst van 2022, binnen veertien dagen na het vonnis, een en ander uitvoerbaar bij voorraad;
IV. in alle gevallen een veroordeling van de Gemeente in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
De rechtbank heeft de vorderingen van [naam 1] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen. Aan het benoemen van de deskundigen voor een canonherziening ligt een overeenkomst van 2022 ten grondslag. Daarvan uitgaande zijn verjaring en rechtsverwerking niet aan de orde. [naam 1] komt geen beroep toe op gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst. Hij heeft de overeenkomst van 2022 niet buitengerechtelijk ontbonden en bovendien is niet aan de aan de vereisten voor ontbinding voldaan. De Gemeente heeft zich namelijk terecht op opschorting beroepen en is dus niet tekortschoten in haar verplichting om (tijdig) een deskundige te benoemen. Het onderhavige bindend advies heeft trekken van een zuiver en een onzuiver bindend advies. Gelet hierop en de overeenkomst van 2022 moeten aan de hier te benoemen deskundigen de eisen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid worden gesteld. De eis van onpartijdigheid en onafhankelijkheid bij een bindend advies ziet niet slechts met name op de deskundigencommissie als geheel maar ook op de individuele leden daarvan en de door partijen aan te wijzen deskundigen zijn geen partijdeskundigen. De door [naam 1] aangewezen deskundige neemt ten opzichte van partijen geen onpartijdige en onafhankelijke positie in. [naam 1] heeft daarom niet aan zijn verplichting voldaan om een onafhankelijke en onpartijdige deskundige te benoemen.

5.Vordering in hoger beroep

5.1.
[appellanten] vorderen in hoger beroep vernietiging van het bestreden vonnis en, uitvoerbaar bij voorraad:
I
- primair een verklaring voor recht dat een beroep van de Gemeente op nakoming van de artikelen 5, 6 en 25 van de AB1915 met betrekking tot de canonherziening na het eerste tijdvak is verjaard waardoor een canonherziening pas weer aan het einde van het tweede tijdvak aan de orde is;
- subsidiair een verklaring voor recht dat [naam 1] terecht een beroep heeft gedaan op gedeeltelijke ontbinding van de erfpachtovereenkomst, dan wel de AB1915, dan wel van de overeenkomst van 2022, waardoor een canonherziening pas weer aan het einde van het tweede tijdvak aan de orde is;
- meer subsidiair een veroordeling van de Gemeente tot nakoming van de verplichting tot het benoemen van een deskundige namens de Gemeente, welke verplichting voortvloeit uit de artikelen 5, 6 en 25 van AB1915, dan wel uit de overeenkomst van 2022, binnen veertien dagen na het vonnis, een en ander uitvoerbaar bij voorraad;
II
- een verklaring voor recht dat het eerste bindend advies uit 2002 (buitengerechtelijk) is vernietigd;
III en IV
- een veroordeling van de Gemeente in de kosten van het geding in beide instanties, met rente, en in de nakosten.
5.2.
De Gemeente heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep.
5.3.
Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.

6.Beoordeling

6.1.
[appellanten] hebben 4 grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis. De grieven komen, samengevat, op het volgende neer. In 2022 is geen overeenkomst tot stand gekomen, maar alleen door [naam 1] een antwoordformulier ingevuld (grief 1). Bovendien bestond al sinds 2013 geen discussie meer over gebondenheid aan het deskundigenrapport van 3 september 2002. Er was dus geen conflict dat moest worden beslecht met een overeenkomst. De grondslag voor de benoeming van deskundigen is dan ook gelegen in de AB1915 en [naam 1] heeft zich bij die stand van zaken terecht beroepen op verjaring en rechtsverwerking (grief 2). Verder heeft [naam 1] artikel 6 uit Pro de AB1915 ten aanzien van de canonherziening na 75 jaar ontbonden, net als de gestelde overeenkomst uit 2022, en is aan de vereisten voor een beroep op ontbinding voldaan (grief 3). De Gemeente kan ten slotte geen beroep doen op opschorting. Het gaat hier om een zuiver bindend advies, waarbij de lat voor onpartijdigheid en onafhankelijkheid laag ligt. Die lat wordt met de door [naam 1] aangewezen deskundige gehaald en hij is ook voldoende deskundig. Het is dus niet [naam 1] , maar de Gemeente die is tekortgeschoten (grief 4).
6.2.
Het hof volgt [appellanten] niet in hun standpunt dat [naam 1] het deskundigenrapport van 3 september 2002 rechtsgeldig heeft vernietigd en dat de Gemeente dit onvoorwaardelijk heeft erkend. [appellanten] hebben voor wat betreft het beroep op vernietiging gewezen op een uitspraak in een procedure tussen de Gemeente en een andere erfpachter (Honnebier) en de brief van [naam 1] aan de Gemeente van 4 augustus 2010. De Gemeente heeft echter terecht aangevoerd dat de uitkomst van de procedure tussen de Gemeente en Honnebier niet van rechtswege gevolgen heeft gehad voor [naam 1] en dat op 4 augustus 2010 de verjaringstermijn voor een beroep op vernietiging al was verstreken (art. 7:904 BW Pro juncto art. 3:52 BW Pro). [appellanten] hebben ten aanzien van de gestelde erkenning gewezen op de brieven van de Gemeente van 20 mei 2020 en 1 maart 2021. Daarin heeft de Gemeente weliswaar geschreven dat zij bereid is in te stemmen met buitengerechtelijke vernietiging van het deskundigenrapport van 3 september 2002, maar ook dat als [naam 1] daarvoor zou kiezen dat zou betekenen dat de canonherziening voor het tweede tijdvak opnieuw door onafhankelijk externe deskundigen zou worden vastgesteld (zie hiervoor onder 3.13 en 3.14).
6.3.
De Gemeente heeft naar aanleiding van het beroep van [appellanten] op rechtsverwerking en verjaring onweersproken aangevoerd dat zij steeds facturen heeft gestuurd waarin de in het deskundigenrapport van 3 september 2002 vastgestelde canon stond vermeld. Verder heeft zij gewezen op haar brieven aan [naam 1] van 31 oktober 2012, 19 mei 2014, 3 juni 2015, 6 juli 2016, 27 september 2016, 20 april 2017, 5 oktober 2018, 20 mei 2020, 10 september 2020 en 1 maart 2021 waarin zij haar aanspraak op betaling van de canon heeft voorbehouden, dan wel voorstellen heeft gedaan voor hertaxatie van de canon. Gelet hierop kunnen [appellanten] evenmin worden gevolgd in hun standpunt dat de aanspraak van de Gemeente op canonherziening was verjaard of dat de Gemeente dat recht had verwerkt.
6.4.
Er bestond dus, anders dan [appellanten] stellen, op 1 maart 2021 wel degelijk een geschil tussen [naam 1] en de Gemeente. Ondanks dat het deskundigenrapport van 3 september 2002 zijn bindende kracht niet had verloren en de Gemeente aanspraak kon maken op betaling van de daarin vastgestelde canon, betaalde [naam 1] die canon immers niet. Tegen deze achtergrond kan de brief van de Gemeente van 1 maart 2021, ook gelet op de bewoordingen daarvan, niet anders worden opgevat dan als een aanbod om een overeenkomst te sluiten ter beëindiging van het tussen partijen bestaande geschil. Met de ondertekening en toezending van het antwoordformulier heeft [naam 1] gekozen voor een nieuwe vaststelling van de canonherziening door een nieuwe deskundigencommissie. Die keuze moet worden aangemerkt als een aanvaarding van het hiervoor bedoelde aanbod van de Gemeente. Tussen [naam 1] en de Gemeente is dus op 16 november 2022 een overeenkomst tot stand gekomen (art. 6:217 BW Pro), die (onder meer) inhoudt dat een nieuwe deskundigencommissie zal worden benoemd en partijen ieder een deskundige moeten aanwijzen.
6.5.
In het midden kan blijven of de vaststelling van de canonherziening door de nieuwe deskundigencommissie een zuiver of een onzuiver bindend advies behelst. Anders dan [appellanten] stellen, mag namelijk bij elk bindend advies een onafhankelijke opstelling worden gevergd van de bindend adviseurs (Hoge Raad 15 juni 2012, ECLI:NL:2012:BW0727, r.o. 3.5.3 en HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:822, r.o. 3.6). Die eis geldt naar het oordeel van het hof bovendien voor elk van de bindend adviseurs afzonderlijk.
6.6.
Het hof sluit zich verder aan bij hetgeen de rechtbank onder 4.20 van het bestreden vonnis heeft overwogen over de behartiging door SEBA van de belangen van [naam 1] en [naam 2] bij de herziening van hun erfpachtcanons en neemt die rechtsoverweging in zoverre over. De omstandigheden dat [naam 2] (i) voorzitter is van SEBA en [naam 1] en [naam 2] SEBA hebben gevolmachtigd om hun belangen te behartigen in het kader van herziening van hun canons, waaraan SEBA gevolg heeft gegeven en (ii) een erfpachtrecht heeft in dezelfde buurt en zijn canon eveneens zal worden herzien, brengen ook voor het hof mee dat [naam 2] in dit geval niet kan worden beschouwd als voldoende onafhankelijk. Dat [appellanten] geen donateur van SEBA zijn, neemt niet weg dat SEBA ook het economisch belang van appellante sub 1 heeft behartigd omdat zij in gemeenschap van goederen was getrouwd met [naam 1] , zoals door de Gemeente onweersproken is aangevoerd.
6.7.
Hieraan doet niet af dat de Gemeente [naam 2] wel als deskundige bij andere canonherzieningen heeft toegelaten en [naam 2] als lid van de Vereniging Bemiddeling Onroerend goed (VBO) gebonden is aan gedragsregels en tuchtrecht. De Gemeente heeft aangevoerd dat het in de gevallen waarin [naam 2] als deskundige voor canonherzieningen is toegelaten niet ging om erfpachters die door SEBA zijn vertegenwoordigd. Verder heeft de Gemeente erop gewezen dat de gebondenheid aan gedragsregels en tuchtrecht geen garantie geven voor onafhankelijkheid bij iedere opdracht. [appellanten] hebben hiertegen onvoldoende ingebracht.
6.8.
Hetgeen hiervoor onder 6.1-6.4 is overwogen, brengt mee dat de verplichting voor partijen om ieder een deskundige aan te wijzen voor een nieuwe vaststelling van de canonherziening voortvloeit uit de hiervoor onder 6.4 bedoelde overeenkomst - en niet uit de artikelen 6 en 25 AB1915, zoals [appellanten] stellen.
Het hof is verder, net als de rechtbank, van oordeel dat:
- die beide verbintenissen meteen opeisbaar zijn, omdat in de overeenkomst geen tijd voor de nakoming is bepaald (art. 6:38 BW Pro);
- tussen deze verbintenissen voldoende samenhang bestaat, omdat zij uit dezelfde overeenkomst voortvloeien;
- [naam 1] als eerste zijn verbintenis niet is nagekomen, omdat hij op het antwoordformulier geen onafhankelijke deskundige heeft ingevuld;
- het bericht van 25 januari 2023 van (de advocaat van) [naam 1] dat hij vasthoudt aan de aanwijzing van [naam 2] moet worden aangemerkt als een mededeling op grond waarvan verzuim intreedt zonder ingebrekestelling (art. 6:83 sub c BW Pro).
6.9.
Hieruit volgt dat de Gemeente zich terecht heeft beroepen op opschorting en op het ontbreken van verzuim aan haar kant. Aan de voor een beroep op opschorting geldende vereisten van een opeisbare vordering en voldoende samenhang tussen beide verbintenissen (art. 6:52 BW Pro) is hier voldaan. Toen (de advocaat van) [naam 1] de Gemeente op 25 januari 2023 een termijn stelde van twee weken om een deskundige aan te wijzen, was [naam 1] al in (schuldeisers)verzuim, zodat de Gemeente niet meer in verzuim kon raken (art. 6:61 lid 2 BW Pro). Omdat de Gemeente haar verbintenis tot aanwijzing van een deskundige rechtsgeldig heeft opgeschort schiet zij daarin niet tekort zodat [appellanten] op die grond geen beroep op ontbinding van de in 6.4 bedoelde overeenkomst toekomt.
6.10.
De stellingen van [appellanten] dat opschorting niet gerechtvaardigd is en niet aan haar is meegedeeld, gaan niet op. De opschorting is in dit geval proportioneel, omdat de door partijen te verrichten prestaties identiek zijn. Anders dan [appellanten] betogen, is in het algemeen niet vereist dat de opschortende partij mededeling doet dat zij haar verbintenis opschort. Bovendien heeft de Gemeente met haar brief van 13 februari 2023 ook voldoende kenbaar gemaakt dat zij geen deskundige zal aanwijzen zolang [naam 1] geen onafhankelijke deskundige heeft aangewezen (zie hiervoor onder 3.17).
6.11.
Op het voorgaande stuiten alle grieven en vorderingen van [appellanten] af.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
6.12.
Het hoger beroep heeft geen succes. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd en hetgeen [appellanten] meer of anders heeft gevorderd wordt afgewezen. Het hof ziet geen aanleiding om [appellanten] toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs hebben aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. [appellanten] zijn in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zullen daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 798,00
- salaris advocaat € 2.580,00 (tarief € 1.290, 2 punten)
Totaal € 3.378,00

7.Beslissing

Het hof:
7.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis;
7.2.
wijst het meer of anders door [appellanten] gevorderde af;
7.3.
veroordeelt [appellanten] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu aan de zijde van de Gemeente vastgesteld op € 3.378,00;
7.4.
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad
Dit arrest is gewezen door mr. J.E. van der Werff, mr. D. Kingma en mr. M. Wallart en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.