ECLI:NL:GHAMS:2026:8

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
200.359.074/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdverblijfplaats en inschrijving basisschool van minderjarige in het kader van ouderschap en zorgregeling

In deze zaak gaat het om de hoofdverblijfplaats en de inschrijving van de minderjarige [minderjarige] op een basisschool. De ouders, de vader en de moeder, wonen op aanzienlijke afstand van elkaar, wat complicaties met zich meebrengt voor de zorgregeling. De rechtbank had eerder bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder zou zijn, en dat zij vervangende toestemming kreeg om [minderjarige] in te schrijven op een basisschool in [plaats B]. De vader, die in [plaats A] woont, is in hoger beroep gegaan en verzoekt om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen, evenals de inschrijving op een basisschool in [plaats A]. Het hof heeft de zaak behandeld en de ouders hebben hun standpunten toegelicht. De vader stelt dat de moeder niet altijd de afspraken nakomt en dat een hoofdverblijfplaats bij hem meer stabiliteit zou bieden voor [minderjarige]. De moeder benadrukt het belang van continuïteit en stabiliteit voor [minderjarige], die al zijn hele leven in [plaats B] woont. De Raad voor de Kinderbescherming heeft geen voorkeur uitgesproken voor de hoofdverblijfplaats, maar heeft wel aangegeven dat de communicatie tussen de ouders verbeterd moet worden. Het hof heeft uiteindelijk besloten om de beslissing van de rechtbank te bekrachtigen, waarbij de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder blijft en hij ingeschreven blijft op de basisschool in [plaats B].

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.359.074/01
zaaknummer rechtbank: C/13/768071 / FA RK 25-2938
beschikking van de meervoudige kamer van 6 januari 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. I. van Meeteren te 's-Hertogenbosch,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. A. de Visser te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige ] , hierna: [minderjarige ] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats B] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de zorgregeling, hoofdverblijfplaats en basisschool van [minderjarige ] (3). De ouders van [minderjarige ] wonen op meer dan een uur autorijden bij elkaar vandaan. De rechtbank heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder bepaald en aan haar vervangende toestemming verleend om [minderjarige ] op een school in [plaats B] in te schrijven. De rechtbank heeft, kort gezegd, uitvoerbaar bij voorraad bepaald dat [minderjarige ] eens per twee weken een weekend bij de vader is.
De vader wil dat [minderjarige ] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader in [plaats A] heeft en dat [minderjarige ] daar naar school kan gaan.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 11 september 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 29 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
2.2
De moeder heeft op 8 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de vader van 4 december 2025 met bijlagen,
- een bericht van de moeder van 8 december 2025 met bijlagen, en
- een bericht van de vader van 9 december 2025 met bijlagen.
2.4
De vader heeft in het beroepschrift van 11 september 2025 ook een verzoek gedaan om de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen (zaaknummer 200.359.074/02). Het hof heeft dat schorsingsverzoek op 9 december 2025 op grond van de stukken afgewezen.
2.5
De zitting heeft op 17 december 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en
- de raad, vertegenwoordigd door V. Aelbers.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige ] , geboren [in] 2022. De ouders hebben tot het voorjaar van 2023 een relatie met elkaar gehad. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige ] .
3.2
[minderjarige ] verblijft op grond van de bestreden beschikking afwisselend bij de vader en de moeder. De moeder woont in [plaats B] , de vader woont in [plaats A] .
3.3
Na het verbreken van de relatie hebben partijen op 11 januari 2024 tijdens een viergesprek met de advocaten een zorgregeling afgesproken. Die zorgregeling is door de toenmalige advocaat van de vader vastgelegd in een brief van 15 januari 2024. De zorgregeling houdt in dat [minderjarige ] bij de vader is gedurende de ene week van vrijdagochtend 8.30/8.45 uur tot maandag 16.30 uur, en de andere week van zondagavond 19.00 uur tot dinsdag 16.30 uur. Zodra de vader een woning betrekt gelegen tussen [plaats C] en [plaats B] zouden de ouders in overleg gaan over uitbreiding van de zorgregeling. Ook hebben de ouders toen afgesproken dat [minderjarige ] voorlopig - zolang de vader in [plaats A] woont - zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft.
3.4
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking een zorgregeling bepaald, die inhoudt dat [minderjarige ] bij de vader is:
vanaf het moment dat hij naar de basisschool gaat op 5 februari 2026:
- gedurende één weekend per veertien dagen van donderdagmiddag na school tot zondag 18:00 uur:
vanaf het moment dat hij leerplichtig is op 5 februari 2027:
- gedurende één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag na school tot zondag 18:00 uur.
Daarnaast is [minderjarige ] volgens de zorgregeling de gehele herfstvakantie en voorjaarsvakantie en de helft van de andere schoolvakanties bij de vader.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, de hoofdverblijfplaats van [minderjarige ] bij de moeder bepaald. Daarnaast heeft de rechtbank vervangende toestemming aan de moeder verleend om [minderjarige ] in te schrijven op basisschool [basisschool 1] te [plaats B] , en subsidiair de basisschool [basisschool 2] te [plaats B] .
4.2
De vader heeft grieven aangevoerd tegen de beslissing van de rechtbank over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige ] en de inschrijving op de basisschool. De vader verzoekt het hof, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, alsnog te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige ] bij de vader wordt bepaald.
Verder wil de vader dat aan hem vervangende toestemming wordt verleend voor inschrijving van [minderjarige ] op basisschool [basisschool 3] te [plaats A] en wel en met ingang van zodanige datum als het hof redelijk en juist acht.
De vader had in het beroepschrift ook een grief aangevoerd tegen de door de rechtbank bepaalde zorgregeling waarbij hij om een andere zorgregeling verzocht, waarbij [minderjarige ] drie weekenden per vier weken verblijft bij de ouder waar hij geen hoofdverblijf heeft. Die grief en de daarmee samenhangende verzoeken heeft de vader op de zitting ingetrokken, zodat dat deel van de bestreden beschikking niet aan het oordeel van het hof is onderworpen.
4.3
De moeder verzoekt afwijzing van het hoger beroep van de vader.

5.De motivering van de beslissing

Wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:253a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een door de ouders onderling getroffen regeling inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan onder meer omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, en
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
De standpunten
5.2
Volgens de vader heeft [minderjarige ] feitelijk nooit een bestendige hoofdverblijfplaats gehad, omdat de zorg sinds de geboorte gelijkelijk is verdeeld. De vader heeft aanvankelijk in de omgeving van [plaats B] woonruimte gezocht, maar daar was geen betaalbare en geschikte woonruimte beschikbaar. Nadat de vader de mogelijkheid kreeg om in [plaats A] te gaan wonen, bleek deze omgeving veel voordelen te bieden voor zowel de vader als [minderjarige ] , op het gebied van rust, stabiliteit, ruimte, veiligheid en een betrokken familiekring van vaderszijde. Ook komt de moeder volgens de vader afspraken niet na of wijzigt ze deze, hetgeen volgens de vader- althans zo begrijpt het hof de vader- maakt dat een hoofdverblijfplaats van [minderjarige ] te [plaats A] tot meer stabiliteit in de opvoeding van hem leidt. De vader acht het in [minderjarige ] belang dat hij zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft en in [plaats A] naar school gaat.
5.3
De moeder vindt stabiliteit en continuïteit voor [minderjarige ] van doorslaggevend belang bij de vraag waar hij zijn hoofdverblijfplaats moet hebben. [minderjarige ] woont al zijn hele leven in [plaats B] , waar hij is geboren, naar de kinderopvang gaat en een sociaal netwerk heeft. [minderjarige ] heeft na het uiteengaan van partijen altijd zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder gehad en zij zorgde het grootste deel van de tijd voor hem. Vanwege de grote reisafstand tussen [plaats A] en [plaats B] (ongeveer 80 km en 90 minuten reisduur) betekent een hoofdverblijfplaats bij de moeder in [plaats B] dat [minderjarige ] ook in [plaats B] naar school gaat. Hij is inmiddels op de basisschool van eerste keuze ingeschreven en de buitenschoolse opvang is eveneens geregeld.
Het advies van de raad
5.4
De raad heeft benadrukt dat het voor [minderjarige ] belangrijk is dat de wereld van zijn moeder en de wereld van zijn vader goed met elkaar zijn verbonden. Doordat de ouders nauwelijks met elkaar (kunnen) communiceren, is die verbinding er nu niet voldoende. De ouders kunnen allebei goed verwoorden wat zij belangrijk vinden voor [minderjarige ] , het is voor hen beiden echter wel moeilijk om te luisteren naar wat de andere ouder belangrijk vindt in het kader van de opvoeding van [minderjarige ] en waarom. De ouders kunnen hulp gebruiken om de communicatie te verbeteren. Voor [minderjarige ] maakt het weinig uit of hij zijn hoofdverblijfplaats in [plaats B] of in [plaats A] heeft: zijn ouders zijn voor hem de basis en beide plaatsen hebben voordelen en nadelen voor [minderjarige ] . De raad geeft daarom geen advies over bij welke ouder de hoofdverblijfplaats moet worden bepaald.
De beoordeling door het hof
5.5
Tot nog toe geldt er een zorgregeling waarbij beide ouders zowel weekenddagen als doordeweekse dagen voor [minderjarige ] zorgen. Omdat [minderjarige ] per 4 februari 2026 zal starten op de basisschool, zal het hof een beslissing moeten nemen over bij wie [minderjarige ] doordeweeks zal wonen en naar school zal gaan. Het hof stelt voorop dat beide ouders een fijne thuissituatie bieden aan [minderjarige ] . De vader heeft gesteld dat hij zich zorgen maakt over de opvoedcapaciteiten van de moeder, maar hij heeft niet onderbouwd waaruit zou blijken dat de moeder niet goed voor [minderjarige ] zou zorgen. Het hof ziet daar geen aanwijzingen voor en deelt deze zorgen van de vader niet. Dat de moeder vanwege haar werk gebruik maakt van professionele opvang voor [minderjarige ] , ziet het hof niet als nadelig voor [minderjarige ] .
5.6
[minderjarige ] is in [plaats B] geboren en de eerste jaren van zijn leven is hij in [plaats B] en in de woning van de vrouw opgegroeid. [minderjarige ] staat inmiddels ook ingeschreven op een basisschool in [plaats B] . Toen partijen uit elkaar gingen, was de intentie dat de vader in de omgeving van [plaats B] nieuwe woonruimte zou zoeken. De ouders hebben vervolgens afgesproken dat [minderjarige ] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder zou hebben zolang de vader in Brabant zou wonen. Ook hebben de ouders een zorgregeling afgesproken, die het hof onder 3.3. heeft beschreven. Daarbij nam de vader een fors deel van de zorg op zich, maar bracht [minderjarige ] nog steeds het grootste deel van zijn tijd in [plaats B] bij de moeder door. Inmiddels heeft de vader zich in [plaats A] gevestigd en wil hij daar ook in de toekomst blijven wonen. Het hof ziet daarin echter geen aanleiding om af te wijken van het door partijen zelf in eerste instantie gekozen uitgangspunt dat [minderjarige ] hoofdverblijfplaats in [plaats B] is. De moeder biedt immers ook een fijne woonplek aan [minderjarige ] . Het hof is het daarom met de rechtbank eens dat [minderjarige ] hoofdverblijfplaats bij de moeder blijft. Dat betekent dat het hof de beslissingen van de rechtbank over de hoofdverblijfplaats en over de inschrijving van [minderjarige ] op een school in [plaats B] in stand laat.
5.7
Beide ouders zijn bezorgd over het effect dat hun gespannen onderlinge relatie en moeizame communicatie op [minderjarige ] heeft. Net als de raad deelt het hof deze zorgen. [minderjarige ] is nog jong en de ouders zullen nog lang met elkaar moeten overleggen en samen beslissingen over hem moeten nemen. De moeder heeft afgelopen jaar voorgesteld om opnieuw in mediation te gaan, maar de vader heeft weinig vertrouwen in een nieuw mediationtraject, aangezien de ouders dat al eerder hebben geprobeerd. Zoals op de zitting is besproken is er voor gescheiden ouders met moeizame communicatie specifieke hulpverlening beschikbaar, zoals Ouderschap Blijft, Kinderen uit de Knel of de SCHIP-aanpak. De ouders kunnen zich tot het Ouder- en Kindteam wenden om te worden verwezen naar zo’n hulpverleningstraject.

6.De beslissing

Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. F. Kleefmann en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 6 januari 2026 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.