ECLI:NL:GHAMS:2026:840

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
200.347.980/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:97 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis over schadevergoeding wegens onrechtmatige ontruiming berging

In deze zaak huurt [geïntimeerde] sinds oktober 2020 een woning met berging van Stichting Ymere. Op 1 april 2022 heeft de deurwaarder, in opdracht van Ymere, abusievelijk de berging van [geïntimeerde] ontruimd en alle aanwezige spullen afgevoerd en vernietigd. Ymere erkent aansprakelijkheid, maar betwist de omvang van de schadevergoeding.

De kantonrechter heeft de vordering van [geïntimeerde] tot schadevergoeding deels toegewezen en Ymere veroordeeld tot betaling van €8.000,00. Ymere is hiertegen in hoger beroep gekomen en vordert vernietiging van het vonnis en afwijzing van de vordering.

Het hof oordeelt dat [geïntimeerde] voldoende heeft onderbouwd dat de voorwerpen op de inboedellijst aanwezig waren en dat Ymere onvoldoende concreet heeft betwist. Ook de waardering van de schade is door de kantonrechter zorgvuldig geschat, rekening houdend met veroudering. Het hof ziet geen aanleiding tot wijziging en bekrachtigt het vonnis. Ymere wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt Ymere tot betaling van €8.000,00 schadevergoeding en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)
zaaknummer : 200.347.980/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 10993778 \ CV EXPL 24-2788
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 maart 2026
in de zaak van
STICHTING YMERE,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
advocaat: mr. T. Mulder te Almere,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend in [plaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. E.R. Boer te Amsterdam.
Partijen worden hierna Ymere en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

Verhuurster heeft per vergissing de berging van huurster laten ontruimen. Bij de ontruiming zijn, buiten medeweten van huurster, alle in de berging aanwezige spullen afgevoerd en vernietigd. Huurster vordert vergoeding van de door haar geleden schade. Verhuurster erkent aansprakelijkheid maar betwist de omvang van de schadevergoeding zoals die door de kantonrechter is toegewezen. Het hof ziet in het in hoger beroep aangevoerde geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen en bekrachtigt het bestreden vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

Ymere is bij dagvaarding van 1 november 2024 in hoger beroep gekomen van een mondelinge uitspraak van 11 september 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en Ymere als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord met een (nieuwe) productie;
- akte van de zijde van Ymere;
- antwoordakte van de zijde van [geïntimeerde] .
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

3.1
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2
[geïntimeerde] huurt sinds 5 oktober 2020 van Ymere een woning met schuur/(fietsen)berging (hierna: de berging) in [plaats] .
3.3
Op 1 april 2022 heeft de deurwaarder, in opdracht van Ymere, abusievelijk de berging van [geïntimeerde] ontruimd en daarbij alle aanwezige spullen afgevoerd en vernietigd. Bij die ontruiming heeft Ymere een drietal foto’s gemaakt van de inboedel in de berging zoals die door haar, de executerend deurwaarder, het door de Gemeente gemandateerde verhuisbedrijf, de politie en de slotenmaker werd aangetroffen (hierna: de door Ymere gemaakte foto’s).
3.4
Bij brief van 13 april 2022 heeft Ymere aan [geïntimeerde] geschreven, voor zover hier van belang:
Op 1 april 2022 heeft de deurwaarder de berging ontruimd
De berging van een andere straat met hetzelfde huisnummer moest ontruimd worden. Er is ter plaatse navraag gedaan bij omwonenden. Deze verklaringen bevestigde dat de berging bij de ontruimde woning zou horen. Dit blijkt niet het geval te zijn. Hierdoor is uw berging ontruimd. De spullen uit de berging zijn afgevoerd en vernietigd.
Vanuit Ymere willen wij nogmaals onze oprechte excuses aanbieden
Het is uiteraard nooit de bedoeling geweest om uw berging te ontruimen. (…) U gaf aan dat de spullen uit uw berging onvervangbaar zijn, dit betreuren wij.
Ymere is aansprakelijk voor het ontruimen van de verkeerde berging
Hiervoor willen wij ook samen met u tot een oplossing komen. De schade zal door Ymere worden vergoed. Ymere vraagt u om de schade uit de berging te onderbouwen. (…)
3.5
Bij e-mail van 9 mei 2022 heeft [geïntimeerde] een opsomming gegeven van spullen die volgens haar in de berging hebben gelegen. Zij heeft onder meer geschreven:
Het gaat om best veel spullen die ik kwijt ben, ik heb het heel zwaar ermee. (…) Ik heb de tijd genomen om te noteren wat er lag, maar elke keer schoot me weer wat binnen. Ik weet zeker wat ik hieronder heb genoteerd niet alles is. Ik vraag om hiervoor begrip te hebben. (…)
3.6
Bij e-mail van 12 december 2022 heeft een medewerker van het betrokken deurwaarderskantoor aan [geïntimeerde] onder meer geschreven:
Wij hebben elkaar zojuist gesproken.
Helaas kan de deurwaarder zich niet herinneren wat er allemaal in uw berging stond.
Hij kan zich alleen herinneren dat deze erg vol stond.
Meer kunnen wij u niet melden. (…)
3.7
Bij brief van 18 april 2023 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] een uiteenzetting gegeven van de inboedel die volgens [geïntimeerde] uit de berging is gehaald, met als bijlagen foto’s, aankoopbonnen, rekeningafschriften, advertenties met een prijsaanduiding of een schatting van de waarde van deze inboedel. De lijst (hierna ook: de inboedellijst) bestaat uit 43 nummers met daarachter vermeld één of meer voorwerpen, elk gevolgd door een (schade)bedrag, met uitzondering van enkele voorwerpen van emotionele waarde, waaronder diverse foto’s en een deken van een overleden oma. Verder staat in de brief:
Totaal komt daarmee de schade op een bedrag van € 17.610,-. Cliënte heeft naast deze inboedel verloren spullen van emotionele waarde. Om cliënte enigszins daarin tegemoet te komen, verzoekt zij u in te stemmen met een bedrag aan smartengeld ter hoogte van € 3.000,-.
3.8
Ymere heeft betaling van het totale door [geïntimeerde] gevraagde bedrag van € 20.610,00 geweigerd, waarna [geïntimeerde] de procedure in eerste aanleg is gestart.
3.9
Bij e-mail van 4 april 2024 heeft de bij de ontruiming betrokken deurwaarder onder meer als volgt verklaard:
Op 1 april 2022 heb ik - in opdracht van Stichting Ymere – een opdracht uitgevoerd om een woning met berging te ontruimen. (…) In de te ontruimen woning bleek een ontmantelde hennepplantage te zijn geweest. De aanwezige inboedel vertegenwoordigde weinig tot geen waarde, zodat de inboedel van deze woning is afgevoerd zonder deze op te slaan. Voor de berging is dezelfde koers gevolgd. In de berging zijn spullen aangetroffen die, volgens de aanwezigen, weinig tot geen waarde vertegenwoordigden zodat ook deze spullen zijn afgevoerd zonder op te slaan. De aangetroffen spullen in de berging lagen her en der op de grond opgestapeld en gaven geenszins de indruk een aanzienlijke waarde te vertegenwoordigen. (…)
Anders dan bij een executoriaal beslag heb ik mij niet primair gericht op de waarde van de aangetroffen inboedel, maar vanuit mijn kennis en ervaring zou het mij uiteraard wel zijn opgevallen als de aangetroffen inboedel in de berging een aanzienlijke waarde zou vertegenwoordigen zoals mevrouw [geïntimeerde] nu lijkt te stellen.

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1
[geïntimeerde] heeft bij de kantonrechter gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Ymere te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden schade ten gevolge van de onrechtmatige ontruiming van haar berging, begroot op € 17.610,00 of een in goede justitie te bepalen bedrag, met veroordeling in de proceskosten.
4.2
Bij het bestreden vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, heeft de kantonrechter Ymere veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 8.000,00 alsmede de proceskosten en het meer of anders gevorderde afgewezen. De kantonrechter heeft daartoe onder meer overwogen dat hij op basis van de door [geïntimeerde] in het geding gebrachte stukken en de door Ymere gemaakte foto’s uitgaat van de juistheid van de inboedellijst die [geïntimeerde] heeft gemaakt. De kantonrechter heeft vervolgens, op basis van die stukken, een schatting van de schade gemaakt, daarbij rekening houdend met veroudering van de aanwezige voorwerpen, en die schade geschat op € 8.000,00.

5.Vordering in hoger beroep

5.1
Ymere vordert vernietiging van het bestreden vonnis en
- alsnog afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] ,
- met veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen Ymere reeds heeft voldaan aan [geïntimeerde] , bestaande uit € 8.000,00 aan schadevergoeding en € 967,00 aan proceskosten,
- alsmede veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.
5.2
[geïntimeerde] concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en veroordeling van Ymere in de kosten van, naar het hof begrijpt, het hoger beroep, met nakosten en rente.
5.3
Beide partijen hebben bewijs aangeboden van hun stellingen.

6.Beoordeling

6.1
In deze zaak staat tussen partijen vast dat de ontruiming van de berging door Ymere, althans door de deurwaarder in opdracht van Ymere, onrechtmatig is. Partijen verschillen van mening over de omvang van de schade die [geïntimeerde] daardoor heeft geleden. Volgens Ymere is die schade nul euro, volgens [geïntimeerde] € 17.610,00. De kantonrechter heeft de vordering van [geïntimeerde] toegewezen tot een bedrag van € 8.000,00 en [geïntimeerde] heeft zich in hoger beroep daarbij neergelegd.
6.2
Ymere heeft vier grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis die hierna, deels gezamenlijk en aan de hand van de beoordeling van de vordering van [geïntimeerde] , zullen worden besproken.
Welke voorwerpen waren aanwezig in de berging?
6.3
Voor het bepalen van de omvang van de schade is allereerst van belang of de voorwerpen die [geïntimeerde] heeft opgesomd in de inboedellijst (zie rov. 3.7) daadwerkelijk aanwezig waren op het moment van de ontruiming. Wat deze vraag betreft rust de stelplicht en bewijslast op [geïntimeerde] . Anders dan Ymere meent, heeft de kantonrechter de bewijslast niet omgekeerd om tot zijn oordeel te komen.
6.4
Met de grieven 1, 2, 3 (gedeeltelijk) en 4 (gedeeltelijk) voert Ymere aan dat [geïntimeerde] onvoldoende heeft onderbouwd en bewezen dat de voorwerpen genoemd in de 43 punten van de inboedellijst ten tijde van de ontruiming in de berging lagen.
6.5
Deze grieven slagen niet. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] voldoende gemotiveerd gesteld en Ymere onvoldoende gemotiveerd betwist dat de voorwerpen zoals genoemd op de inboedellijst in de berging aanwezig waren ten tijde van de ontruiming. [geïntimeerde] heeft namelijk met 43 punten een concrete opsomming van voorwerpen gemaakt in de inboedellijst (waaronder kinderspullen en -speelgoed, schoenen, kleding, keukenspullen, doe-het-zelf-spullen, meubels), veelal geïllustreerd met foto’s van de betreffende voorwerpen, soms in aanwezigheid van haarzelf of haar kinderen. Daarnaast heeft zij op de drie door Ymere gemaakt foto’s voor elk van de 43 punten met pijlen aangeduid waar de betreffende voorwerpen zich bevonden in de berging. Die drie foto’s, die overigens niet erg gedetailleerd zijn, laten in ieder geval hoge opeengepakte stapels van voorwerpen, tassen en andere opbergmiddelen zien. Een aantal van de voorwerpen op de inboedellijst is herkenbaar. Dat er veel spullen aanwezig waren in de berging is duidelijk zichtbaar.
6.6
Tegenover deze concreet toegelichte stellingen van [geïntimeerde] heeft Ymere haar betwisting niet voldoende toegelicht. Zij is in hoger beroep blijven steken in algemene tegenwerpingen. Zo gebruikt zij in de memorie van grieven ter beschrijving van de inboedel van de berging algemene omschrijvingen zoals ‘rommelige berging’, ‘geen waardevolle spullen’ en ‘spullen die her en der op de grond lagen’, zonder concreet te maken welke spullen dat dan waren. Zij betwist bijvoorbeeld niet concreet de aanwezigheid van enkele door [geïntimeerde] genoemde grotere voorwerpen, zoals de kinderfiets, kinderscooter en kinderauto. Verder kan het enkele feit dat één en ander rommelig oogt, geen afbreuk doen aan de stellingen van [geïntimeerde] , aangezien het een feit van algemene bekendheid is dat een berging met opgeslagen spullen niet altijd even netjes uitziet. Welke niet-waardevolle spullen dan wél zijn aangetroffen in de volle berging is evenmin concreet aangeduid door Ymere.
6.7
Ymere heeft nog aangevoerd dat zij er zelf belang bij heeft om waardevolle spullen niet te laten afvoeren en vernietigen, omdat zij met de opbrengst daarvan executiekosten kan compenseren. Daarom let de deurwaarder juist op de aanwezigheid van waardevolle spullen, aldus Ymere. Dat (algemene) argument slaagt niet, omdat in dit concrete geval vaststaat dat de deurwaarder de aanwezige tassen en andere verpakkingen niet heeft opengemaakt en dus niet heeft gecheckt of daarin waardevolle spullen aanwezig waren.
Verder is het volgens Ymere niet aannemelijk dat ‘dergelijke waardevolle spullen’ in een onverwarmde en niet geventileerde berging worden opgeslagen. Daargelaten dat Ymere niet concreet maakt op welke spullen zij met dit algemene vermoeden doelt, is het hof het eens met de reactie van [geïntimeerde] dat het haar vrijstaat om te bepalen welke spullen zij in haar woning dan wel in haar berging opslaat.
Aan de stellingen van [geïntimeerde] doet ook niet af dat zij niet van ieder voorwerp een aankoopbewijs heeft ingebracht. Voor de aanwezigheid van de voorwerpen is immers niet vereist dat elk voorwerp daadwerkelijk door haar zelf was gekocht.
Ymere heeft tot slot nog tegengeworpen dat [geïntimeerde] in haar bericht van 9 mei 2022 een afwijkende opsomming heeft gegeven van de spullen die ten tijde van de ontruiming in haar berging zouden staan. Het hof gaat hieraan voorbij, omdat voorstelbaar is dat geconfronteerd met de gevolgen van een onverwachte ontruiming, de eigenaar niet meteen paraat heeft wat wel en niet op die manier is verloren gegaan. Bovendien heeft [geïntimeerde] op 9 mei 2022 ook geschreven dat zij meer tijd nodig heeft om na te gaan wat in de berging lag, dat de lijst niet alles betrof en dat zij daarvoor begrip vroeg.
6.8
Aangezien Ymere haar betwisting niet voldoende specifiek en concreet heeft toegelicht, wordt niet toegekomen aan bewijslevering op het punt van de aanwezigheid van de voorwerpen zoals genoemd onder de 43 punten op de inboedellijst.
Wat was de waarde van de in de berging aanwezige voorwerpen?
6.9
In de tweede plaats is van belang de vraag op welke waarde de voorwerpen op de inboedellijst in totaal moeten worden geschat. Ook wat betreft deze vraag rust de stelplicht en bewijslast op [geïntimeerde] . Met de hiervoor nog niet besproken onderdelen van de grieven 3 en 4 betoogt Ymere dat [geïntimeerde] onvoldoende heeft aangetoond dat de spullen zoals genoemd op de inboedellijst de door [geïntimeerde] genoemde waarde vertegenwoordigen alsmede dat de kantonrechter niet heeft gemotiveerd hoe hij aan het toegewezen bedrag van € 8.000,00 is gekomen. Volgens Ymere is deze waarde nul.
6.1
Deze grieven hebben om de volgende redenen geen succes.
[geïntimeerde] heeft de waarde van elk van de voorwerpen op de inboedellijst onderbouwd met aankoopbonnen, rekeningafschriften, foto’s of advertenties met een prijsaanduiding. Gelet op deze concrete toelichtingen door [geïntimeerde] lag het op de weg van Ymere om concreet te motiveren waarom een bepaald voorwerp niet de waarde heeft die [geïntimeerde] eraan heeft toegekend. Ymere heeft dat in hoger beroep echter niet dan wel onvoldoende gedaan.
Ymere heeft weliswaar betoogd dat er van 13 voorwerpen genoemd op de inboedellijst, waaronder gereedschappen van een overleden oom, enkel foto’s en geen aankoopbonnen zijn overgelegd, maar daarmee heeft Ymere nog niet de door [geïntimeerde] aan die voorwerpen toegekende waarde gemotiveerd betwist.
Ymere heeft tot slot in zijn algemeenheid tegengeworpen dat de levensduur van de voorwerpen op de inboedellijst is verminderd. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep erkend, dat de door haarzelf begrote schade gebaseerd is op nieuwwaarde. De kantonrechter heeft echter expliciet rekening gehouden met de omstandigheid dat sommige spullen reeds enkele jaren vóór de ontruiming in april 2022 waren aangeschaft. Hij heeft daarvoor een vermindering toegepast van zo’n 55% op de totaalwaarde zoals die in de inboedellijst is genoemd en met stukken onderbouwd door [geïntimeerde] . Deze vermindering komt het hof niet onjuist voor en ook hiertegen heeft Ymere geen (voldoende) concreet verweer gevoerd. Gelet op dit alles is er geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de kantonrechter in dit geval de hem toekomende beoordelingsvrijheid bij het schatten van de omvang van de schade op grond van artikel 6:97 BW Pro heeft overschreden.
6.11
Aangezien Ymere haar betwisting niet voldoende heeft onderbouwd, wordt niet toegekomen aan bewijslevering op het punt van de waarde van de door de deurwaarder vernietigde voorwerpen.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
6.12
Het hoger beroep heeft geen succes. Hetgeen Ymere overigens nog heeft aangevoerd in de grieven hoeft geen behandeling meer wegens gebrek aan relevantie. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. Het hof ziet geen aanleiding om Ymere toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.
Ymere is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- explootkosten € 0,00
- griffierecht € 349,00
- salaris advocaat € 912,00 (tarief I, 1 punt)
Totaal € 1.261,00

7.Beslissing

Het hof:
7.1
bekrachtigt het bestreden vonnis;
7.2
veroordeelt Ymere in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 1.261,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
7.3
veroordeelt Ymere tot betaling van € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 93,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
7.4
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
7.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.A. Wabeke, E.K. Veldhuijzen van Zanten en C.A.H.M. ten Dam en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.