ECLI:NL:GHAMS:2026:851

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
200.331.842/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering partnervergoeding op grond van partnerovereenkomst na correctie winstberekening

In deze civiele zaak vordert appellant betaling van een basisvergoeding en partnervergoeding op grond van een partnerovereenkomst met HMK Medical B.V. Het geschil betreft de juiste berekening van de winst over 2020 en de vraag of aan de voorwaarden voor uitbetaling is voldaan.

Het hof stelt vast dat een aantal kostenposten, waaronder een managementvergoeding, winstopslag op doorbelaste personeelskosten, en partnervergoedingen, ten onrechte in mindering zijn gebracht op de winst. De jaarrekening 2020 is door appellant aanvaard wat betreft de voorraadwaardering, maar de winstberekening is onjuist door opname van onterechte kosten.

De uitleg van de partnerovereenkomst vindt plaats conform de Haviltex-norm, waarbij ook de gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst worden betrokken. Het hof oordeelt dat de winst over 2020, gecorrigeerd voor de onterechte posten, positief is en dat aan de voorwaarde van positieve cashflow is voldaan.

HMK is daarom in gebreke gebleven door de basisvergoeding over augustus tot en met december 2020 en het winstaandeel niet te betalen. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt HMK tot betaling van in totaal € 46.279,39, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.

Uitkomst: Het hof veroordeelt HMK tot betaling van € 46.279,39 aan appellant, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten, en wijst het hoger beroep toe.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer: 200.331.842/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland: C/15/325506 HA ZA 22-138
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 maart 2026
inzake
[appellant],
wonend te [plaats] ,
appellant,
advocaat: mr. P.P. Otte te Castricum,
tegen
HMK MEDICAL B.V.,
gevestigd te Haarlem,
hierna: HMK,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M.G. Jansen te Haarlem.

1.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 31 mei 2023 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 4 mei 2022 en 1 maart 2023, gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, tevens gedaagde in reconventie en HMK als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend, door hen genaamd:
- memorie van grieven in incident overlegging stukken tevens in de hoofdzaak tevens houdende producties;
- memorie van antwoord, met producties;
- akte houdende rectificaties van memorie van grieven, tevens van weergave volledig petitum.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en alsnog de vorderingen in incident en hoofdzaak zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.
HMK heeft geconcludeerd tot verwerping van het hoger beroep, bekrachtiging van de vonnissen waarvan beroep, met beslissing over de proceskosten.
Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.
Bij tussenarrest van 14 mei 2024 heeft het hof HMK in het incident veroordeeld tot afgifte aan [appellant] van de door [appellant] genoemde stukken, voor zover betrekking hebbend op 2020.
HMK heeft nadien deze stukken aan [appellant] afgegeven. [appellant] heeft deze stukken in het geding gebracht bij akte uitlating/rectificatie/aanpassing grieven en petitum d.d. 10 september 2024, met overlegging van producties.
HMK heeft daarop een antwoordakte genomen d.d. 8 oktober 2024, met producties.
[appellant] heeft bij akte uitlating d.d. 14 januari 2025 op die producties gereageerd.
Vervolgens is arrest gevraagd, waarna het hof een mondelinge behandeling heeft bepaald, welke is gehouden op 10 oktober 2025. Partijen hebben de zaak tijdens deze mondelinge behandeling laten toelichten, HMK aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.
Verschenen zijn partijen, HMK bij [naam 1] , indirect bestuurder en UBO, en hun advocaten, respectievelijk mr. Otte voornoemd en voor HMK mr. M.F. de Jong, advocaat te Haarlem.

2.Feiten

2.1
In aanvulling op de in het tussenarrest (overeenkomstig het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.5) vastgestelde feiten staan, op grond van het door de ene partij gestelde en door de andere partij niet of onvoldoende concreet betwiste, de navolgende feiten vast.
2.2
De voorraad ultimo 2020 is in de Jaarrekening 2020 correct gewaardeerd. [appellant] heeft zijn eerdere verweer hiertegen ingetrokken.
2.3
HMK heeft met de drie andere partijen (naast [appellant] en [naam 1] ) bij de partnerovereenkomst d.d. 5 juni 2020 (hierna: de partnerovereenkomst) een minnelijke regeling getroffen, waarbij in aanvulling op de eerder over mei tot en met juli 2020 betaalde partnervergoedingen (zoals vermeld in lid 1 van de partnerovereenkomst) door HMK in totaal € 15.000,- (€ 5.000,- per partner) exclusief btw is betaald, tegen finale kwijting.
2.4
HMK heeft ook aan [appellant] over de maanden mei, juni en juli 2020 in de partnerovereenkomst vermelde basisvergoeding van € 5.000,- per maand (exclusief btw) betaald. HMK heeft de facturen van [appellant] over de maanden augustus tot en met december 2020 ten bedrage van in totaal € 25.000,- (exclusief btw) tot op heden onbetaald gelaten.

3.Beoordeling

3.1
[appellant] baseert zijn vorderingen op de inhoud van de partnerovereenkomst en stelt dat er feitelijk in 2020 bij HMK sprake was van een gerealiseerde winst (maar dat HMK deze in de jaarstukken heeft verdoezeld door de cijfers te manipuleren) én van een positieve cashflow eind 2020. HMK betwist beide grondslagen gemotiveerd. Partijen verschillen in dit verband allereerst van mening over de inhoud en betekenis van de Jaarrekening 2020 van HMK. De Jaarrekening 2020 van HMK is opgesteld door [naam 2] (AA) en vastgesteld op 13 december 2021. Na het in deze zaak gewezen tussenarrest zijn de onderliggende gegevens aan [appellant] overgelegd en heeft deze zijn stellingen daar nader op gebaseerd en (op onderdelen) aangepast. Daarmee is de betekenis ontvallen aan het tot dan toe in de gedingstukken gevoerde partijdebat, voor zover dat gebaseerd was op de eerdere ‘reconstructies’ van de zijde van [appellant] , maar ook aan de eerdere conceptjaarrekeningen van de zijde van [appellant] , omdat deze alle niet op kennisneming van alle relevante onderliggende stukken gebaseerd waren (en konden zijn). Het hof zal daarom ervan uitgaan dat het partijdebat na overlegging van de onderliggende stukken nader is getrechterd op de hierna te noemen onderwerpen, alsmede op de betekenis van de verwijzing naar ‘positieve cash flow’ in de partnerovereenkomst. Het hof zal de (22) grieven van [appellant] beoordelen aan de hand van de laatst ingenomen standpunten van partijen over de onderliggende feiten. Allereerst stelt het hof vast dat [appellant] de in de Jaarrekening 2020 opgenomen voorraadwaardering alsnog heeft aanvaard. Vervolgens staat tussen partijen ter discussie of HMK in 2020 (feitelijk) winst heeft gerealiseerd, als bedoeld in de partnerovereenkomst én of en hoe de eis van ‘positieve cashflow’, in het licht van zowel de partnerovereenkomst als van de concrete feiten en omstandigheden moet worden beoordeeld. Waar het de door [appellant] betwiste berekening in de Jaarrekening 2020 van de winst over dat jaar betreft gaat het om de navolgende posten:
a. managementvergoeding BSB Holding, dan wel doorbelasting kosten ABC Management door BSB Holding à € 63.325,00; (grief XVI en XVIII)
b. doorbelasting personeelskosten vanuit zusterbedrijf BMS A&P (hierna: BMS) à € 229.439,10; (grief XVIII en XIX)
c. doorbelasting vanuit BMS à € 33.547,82; (grief XVIII)
d. partnervergoedingen à € 135.000,00 (grief XVIII)
Totaal betwist: € 456.312,42.
3.2
De vorderingen van [appellant] zijn gebaseerd op de inhoud van de partnerovereenkomst. Deze luidt, voor zover hier relevant, als volgt:
“(…) Om dit doel te bereiken heeft [naam 1] [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] gevraagd om, als externe professionals, deel uit te maken van het team, dat het streven van HMK zal gaan realiseren. De vergoeding voor de inzet van de partners zal gebaseerd worden op het rendement van de onderneming. Dit houdt tevens in, dat het risico bestaat, dat er geen winstdeling is, in het geval het gehele project mislukt en er geen productie en omzet is. Indien er in 2020 geen winst gemaakt wordt, maar de onderneming pas in 2021 winst maakt, zullen we aanvullende afspraken maken over de verlenging van de regeling.
Indien, zoals uiteraard de verwachting is, de onderneming rendabel is zijn de volgende afspraken over de vergoeding van de vijf partners voor hun inzet gemaakt.
Iedere partner ontvangt als basisvergoeding een bedrag van € 5.000 per maand, ingaande 1 mei 2020.
Voor een aantal werknemers van zusteronderneming BMS Auto- en Projectstoffering B.V. die naast hun werkzaamheden voor BMS Auto- en Projectstoffering B.V. mee werken aan de opstart van de werkzaamheden van HMK, zal een totaal van 5% van de winst voor belasting gereserveerd worden, welk percentage door [naam 1] onder deze werknemers verdeeld zal worden.
Na aftrek van de in punt 1 omschreven vergoedingen en het in punt 2 omschreven winstaandeel, ontvangt elke partner 5% van de resterende winst. Een voorbeeldberekening is als bijlage toegevoegd bij deze overeenkomst.
Het resterende deel komt ten gunste van HMK.
De in punt 1 genoemde vergoedingen zullen worden uitgekeerd op het moment dat er sprake is van een positieve cash flow, rekening houdend met de lease van de machines door de Rabobank en de inkoopfinanciering door Ebury.
Het in punt 3 genoemde winstaandeel zal, eventueel op voorschotbasis, worden uitgekeerd indien de liquiditeit dit toelaat, doch uiterlijk op 31 januari 2021.
Deze afspraken gelden voor de periode van 1 mei tot en met 31 december 2020.
(…). “
3.3
Partijen verschillen van mening over de uitleg die aan de bepalingen van de partnerovereenkomst moet worden gegeven. Het hof zal de bepalingen van de overeenkomst uitleggen conform de zogenaamde Haviltex-norm: niet louter een zuiver taalkundige uitleg volstaat, maar de uitleg dient plaats te vinden op basis van de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij dienaangaande redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (vgl. HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158). Daarbij kunnen ook de gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst van belang zijn voor de aan de overeenkomst te geven uitleg (HR 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5572).
3.4
Partijen zijn in of omstreeks juni 2021 gebrouilleerd geraakt. De jaarrekening was toen nog niet vastgesteld. Concepten waren nog onvoldragen, onder meer omdat de uiteindelijke voorraadwaardering daarin nog niet was opgenomen. Uit die concepten valt wel op te maken dat de hiervoor onder 3.1 genoemde posten daarin nog niet als zodanig (in die omvang) waren opgenomen, maar pas na het vertrek van [appellant] zijn toegevoegd, dan wel aanzienlijk verhoogd.
3.5
Anders dan HMK veronderstelt is voor de vaststelling van de uit de partnerovereenkomst voortvloeiende verplichtingen niet slechts bepalend hoe onder verantwoordelijkheid van één partij (HMK) na het vertrek van [appellant] de jaarrekening is ingericht. Om die reden zal het hof de door [appellant] betwiste posten (zoals vermeld onder 3.1) beoordelen aan de hand van een redelijke uitleg van de wederzijdse rechten en plichten, zoals deze voortvloeien uit de partnerovereenkomst, een en ander met hantering van de genoemde Haviltexnorm.
3.6
De in 3.1 sub a genoemde kostenpost is door [appellant] betwist: deze ‘kosten’ zijn achteraf doorbelast, er is nooit een ABC geweest, want BSB voerde het management vanuit de holding. De reactie van HMK hierop is tussentijds om niet navolgbare redenen gewijzigd. In de antwoordakte na tussenarrest verwijst HMK onder randnummers 29 en 30 allereerst naar haar eerdere standpunt in de Memorie van antwoord. Dat lijkt terug te slaan op het op grief XVI van [appellant] gegeven commentaar in de MvA en wel onder randnummers 82 tot en met 85. Daarin verwijst HMK naar een aan haar door BSB Holding in rekening gebrachte managementvergoeding, alsmede naar een ‘
beheervergoeding’ als een ‘
redelijke vergoeding voor de aan HMK Medical verstrekte lening’, voor het gebruik van activa (zoals klein inventaris) en een aan BSB Holding uitgekeerde managementfee. In de antwoordakte na tussenarrest merkt HMK daar aanvullend (randnummer 30) nog over op “
dat deze fee correct is opgenomen in de jaarrekening 2020” (..), “omdat BSB Holding voor eigen rekening en risico de onderneming HMK Medical BV drijft. BSB Holding BV heeft het financiële risico gedragen en vergoeding is daarmee op zijn plaats.
Verder heeft BSB Holding ook een machine overgedragen aan HMK Medical tegen een koopsom, welke koopsom verschuldigd is gebleven” . Ter zitting heeft het hof HMK gevraagd wie de dagelijkse leiding binnen HMK had, waarop is geantwoord dat dit [naam 1] was. Daarop heeft het hof HMK voorgehouden dat in de partnerovereenkomst staat hoe de partners (waaronder [naam 1] ) voor hun inzet binnen HMK beloond zouden worden.
3.7
Vervolgens heeft HMK voor het eerst ter zitting ten aanzien van de post ABC-Management een geheel ander verweer gevoerd: dit zou gaan om facturen van een BMS-medewerker die aan [naam 1] /HMK advies zou hebben gegeven en hiervoor als zelfstandige onder de naam ABC Management zou hebben gefactureerd. Ook deze stukken bevinden zich niet in het (omvangrijke) dossier. Deze facturen zouden zijn gebaseerd op een – niet aan het hof overgelegde – managementovereenkomst tussen HMK en één van de werknemers van zusterbedrijf BMS. Waar door het grotendeels wegvallen van werk tijdens de COVID-pandemie de andere BMS-werknemers door [naam 1] werden gedetacheerd bij HMK (dat wel werk voor hen had, zij het hoofdzakelijk eenvoudig inpakwerk) zou HMK met deze in Oostenrijk woonachtige werknemer van BMS een aparte managementovereenkomst hebben gesloten met een fee van in totaal ruim € 63.000,- voor zes maanden inzet, naast de volledige loondoorbetaling die deze werknemer vanuit zijn dienstverband met BMS ontving. [appellant] heeft onweersproken gesteld dat deze managementovereenkomst, de daarop gebaseerde facturen en betalingen hem eind juni 2021 niet bekend waren, terwijl hij toen verantwoordelijkheid droeg voor de boekhouding en administratie van HMK. Door HMK is erkend dat de ABC-facturen en betalingen dateren van na het vertrek van [appellant] (eind juni 2021). Door HMK is niet toegelicht waarom deze werknemer medio 2021 ging factureren voor in 2020 beweerdelijk verrichte werkzaamheden (welk tijdverloop immers zonder nadere toelichting, die ontbreekt, op zijn minst ongebruikelijk is). Ook is door HMK niet toegelicht waarom deze uit 2021 daterende facturen en betalingen zijn opgenomen in de jaarrekening van 2020. In de hiervoor geschetste omstandigheden is opname van deze in 2021 beweerdelijk gemaakte ‘onkosten’ in de jaarrekening 2020 strijdig met de uit de partnerovereenkomst voortvloeiende verplichtingen van HMK jegens [appellant] . Deze opname heeft immers het resultaat 2020 in negatieve zin beïnvloed, terwijl de gegrondheid van die opname minst gezegd twijfelachtig is. Onder de geschetste omstandigheden komt HMK jegens [appellant] redelijkerwijs geen beroep op die post toe, zodat de hiertegen gerichte grief van [appellant] slaagt.
3.8
De onder 3.1.b vermelde post betreft de door HMK aan haar zusteronderneming BMS toegerekende vergoeding van de personeelskosten van bij BMS in dienst zijnd personeel dat (omdat binnen BMS door de COVID-pandemie onvoldoende werk voor hen was) is tewerkgesteld binnen HMK. Het bezwaar van [appellant] dat doorberekening van de zuivere loonkosten van BMS aan HMK onredelijk was, omdat het om geschoold personeel ging dat binnen HMK overwegend ongeschoold werk verrichtte wordt door het hof gepasseerd. Blijkens het bepaalde in artikel 2 van Pro de partnerovereenkomst was het van aanvang af de bedoeling, zoals HMK ook ter zitting heeft toegelicht, dat het personeel van BMS waar mogelijk zou worden ingezet binnen HMK. Om ‘leegloop’ binnen BMS tegen te gaan was dit een vanzelfsprekende oplossing binnen de partijen bekende concernverhoudingen. Als [appellant] hier op voorhand bezwaar tegen had, dan wel tegen de volle doorbelasting van de loonkosten, had hij dit bezwaar al vóór het tekenen van de partnerovereenkomst kunnen en moeten maken, hetgeen niet is gesteld of gebleken. Daarbij komt dat [appellant] ook onvoldoende concrete handvatten heeft gegeven om te kunnen vaststellen dat de door BMS gehanteerde (en doorbelaste) kostprijs, mede gelet op het type werk dat is verricht, niet reëel was. Anders ligt het met de ‘winstopslag’ die HMK volgens haar eigen opgave achteraf aan BMS zou hebben vergoed. HMK heeft dit een ‘reguliere gang van zaken’ genoemd, maar niet is gesteld of gebleken dat [appellant] hiervan al vóór de ondertekening van de partnerovereenkomst met bijbehorende rentabiliteitsbegroting (die hier niets over vermelden) op de hoogte is gesteld. In de toen tijdens de COVID-pandemie bestaande verhoudingen (waar het BMS-personeel volgens HMK niets anders te doen had) ligt zo’n opslag ook niet voor de hand. Door [appellant] is bovendien, onvoldoende weersproken, gesteld dat hij niet vóór zijn vertrek van zo’n opslag op de hoogte is gesteld. Volgens [appellant] is een winstopslag van 100% bovenop de loonkosten gehanteerd, op welk percentage HMK nadien niet meer heeft gereageerd. Het hof stelt daarom vast dat [appellant] terecht bezwaar heeft gemaakt tegen deze onder de bijzondere omstandigheden van het geval jegens hem als onredelijk te beschouwen opslag. Uitgaande van een opslagpercentage van 100% is het resultaat van HMK in de Jaarrekening 2020 in strijd met de jegens [appellant] bestaande verplichtingen door HMK ten onrechte verlaagd met het bedrag aan winstopslag van € 114.719,55. De op dit punt gerichte grief van [appellant] slaagt.
3.9
De onder 3.1.c vermelde post is door [appellant] aangeduid als ‘onterecht vanuit BMS doorbelaste kosten’, met de opmerking dat niet duidelijk is wat dit voor kosten zijn en waarom deze worden doorbelast, zodat deze voor rekening van BMS dienen te blijven. Hij verwijst daarbij naar grootboekkaart 4689 (Prod. B48). HMK heeft daarop slechts verwezen naar haar onder 3.8 aangehaalde verweer, welk verweer door het hof als ontoereikend is beoordeeld. Voor zover dat verweer (onder randnummers 25-27 van haar akte) ook zou zien op deze post treft dat verweer dus hetzelfde lot. Onder randnummer 35 van haar antwoordakte komt het onder 3.1.c genoemde bedrag nog terug na de vermelding ‘kostendrager 50’. Onduidelijk en niet nader toegelicht is waar die post op ziet, zodat het verweer van HMK tegen de stellingen van [appellant] op dit punt onvoldoende concreet is en ook onduidelijk is gebleven. Ook deze post zal daarom worden betrokken bij de omvang van posten die HMK redelijkerwijs niet aan [appellant] kan tegenwerpen als door HMK gemaakte onkosten die het resultaat van HMK over 2020 in negatieve zin hebben beïnvloed. De tegen opname van deze post gerichte grief slaagt.
3.1
De onder 3.1.d vermelde post is door [appellant] betwist omdat deze als in 2020 gemaakte onkosten zijn opgenomen, terwijl deze posten (zijnde de resterende basisvergoedingen van 5 partners over de maanden augustus tot en met december 2020) in 2020 niet zijn betaald. Van het totaalbedrag dat in de boeken van 2020 als gemaakte onkosten is opgenomen (€ 135.000,-) is in 2020 niets betaald. Pas in juni 2021 is een restantbedrag van € 15.000,- betaald aan de drie (voormalige) partners bij de partnerovereenkomst met wie HMK toen een minnelijke regeling heeft getroffen. Op de vraag van het hof waarom deze post van € 135.000,- als in 2020 daadwerkelijk gemaakte onkosten in de Jaarrekening 2020 is opgenomen en niet als ‘reservering’ (er is immers noch erkend, noch betaald door HMK) moest HMK ter zitting van het hof het antwoord schuldig blijven. Daarmee staat genoegzaam vast dat deze post ten onrechte als in 2020 gemaakte onkosten in de Jaarrekening 2020 is opgenomen. De vorderingen van de ex-partners werden daarnaast ook betwist en zijn niet uitbetaald, anders dan opgenomen in het schikkingsbedrag van € 5.000 voor de drie ex-partners met wie geschikt is. Opmerkelijk is ook dat ten tijde van het opmaken van de jaarrekening al bekend was wat de inhoud van de minnelijke regeling met de drie (voormalig) partners was en ook wat het HMK uiteindelijk aanvullend nog gekost heeft, namelijk niet € 135.000,- maar slechts € 15.000,- (met daarboven p.m. de eveneens betwiste vordering van [appellant] ten bedrage van € 25.000,- aan basisvergoeding die thans ter beoordeling in hoger beroep nog voorligt, maar door de rechtbank is afgewezen). Dit is opmerkelijk, omdat de later (en na het totstandkomen van de schikkingen) ontvangen en betaalde facturen van de Oostenrijkse BMS-werknemer wél alsnog in de Jaarrekening 2020 zijn opgenomen, maar de al eerder bekende uitkomst van de onderhandelingen met de drie voormalige partners niet. Hiernaar gevraagd heeft HMK hiervoor geen verklaring kunnen geven. Ook de op deze post gerichte grief van [appellant] slaagt, voor zover hij met zijn grief heeft willen bereiken dat de opname van deze post in de Jaarrekening 2020 ten onrechte is geschied, althans voor de uit de partnerovereenkomst voortvloeiende verplichtingen geen dragende betekenis heeft, zodat deze post redelijkerwijs niet mag worden meegenomen in de berekening van [appellant] winstaandeel 2020 op basis van de partnerovereenkomst. De tegen afwijzing door de rechtbank van zijn berekening gerichte grief slaagt op deze post dus.
De overige door [appellant] gestelde posten die ten onrechte ten laste van HMK zouden zijn gebracht (huur, rentepost/rekening-courantschuld, beheersvergoeding en managementkosten) zijn door HMK betwist en, voor zover daarna al door [appellant] gehandhaafd, onvoldoende onderbouwd in het licht van die betwisting.
3.11
Vorenstaande beoordelingen leiden daarom tot de conclusie van het hof dat een correcte uitvoering van de partnerovereenkomst tot een andere berekening van de winst HMK 2020 had moeten leiden:
- de kostenposten ‘managementfee ABC Management’ à € 63.325,-;
- de winstopslag over de doorbelaste personeelskosten voor een bedrag van
€ 114.719,55;
- de resterende niet nader gespecificeerde doorbelasting vanuit BMS à € 33.547,82 en
- de partnervergoedingen voor een bedrag van € 120.000,-
zijn ten onrechte in mindering gebracht op de winst 2020, berekend op basis van de partnerovereenkomst.
De op deze wijze, voor de tenuitvoerlegging van de partnerovereenkomst opgestelde, winstberekening komt dan neer op een bedrag dat € 331.592,37 hoger is. Rekening houdend met de in de Jaarrekening 2020 op een verlies van € 41.500 uitkomende berekening, is het saldo daarvan € 290.092,37. Overeenkomstig artikel 2 van Pro de partnerovereenkomst is 5% van dat bedrag (dus € 14.504,62) bestemd voor overig personeel, zodat aan winst in de zin van artikel 3 van Pro de partnerovereenkomst resteert een op € 275.587,75 berekend bedrag. Het winstaandeel van [appellant] dat redelijkerwijs voortvloeit uit de in de partnerovereenkomst opgenomen bepalingen en uit de op die overeenkomst redelijkerwijs gebaseerde verwachtingen is 5% over dit laatste bedrag, dus € 13.779,39.
3.12
Op basis van vorenstaande berekening van de winst 2020 in het licht van artikel 3 van Pro de partnerovereenkomst is voldaan aan de in de partnerovereenkomst genoemde voorwaarden, omschreven als ‘rendabel’. Anders dan HMK ter zitting heeft opgemerkt dient het begrip ‘winst’ te worden uitgelegd als winst-voor-belasting, zoals ook expliciet is verwoord in artikel 2 van Pro de partnerovereenkomst. Die uitleg heeft redelijkerwijs ook te gelden bij de toepassing van lid 3 van de overeenkomst.
3.13
Tot slot resteert het verweer van HMK dat er voor uitbetaling van de vaste vergoedingen wel sprake moet zijn van een ‘positieve cash flow’, zoals verwoord in artikel 5 van Pro de partnerovereenkomst. De betekenis van die bepaling wordt door elk van partijen anders geïnterpreteerd. HMK stelt zich op het standpunt dat er sprake moet zijn van zowel een ‘positieve
operationelecash flow’, als van een volledige afbetaling van de lening vanuit de holding. [appellant] legt ‘positieve cash flow’ zo uit dat er voldoende geld op de bankrekening beschikbaar moet zijn om tot uitbetaling over te gaan. Ook hier dient uitleg conform het Haviltex-criterium plaats te vinden, waar bij dus ook de feitelijke uitvoeringshandelingen van HMK ten aanzien van de betaling van de vaste vergoedingen van betekenis zijn.
Het hof stelt vast dat het genoemde vereiste ‘
positieve cash flow’ in de bewoordingen van de partnerovereenkomst wordt gevolgd door de woorden ‘
rekening houdende met de lease van de machines door de Rabobank en de inkoopfinanciering door Ebury’. De kennelijke strekking van deze toevoeging is dat gelden op de bankrekening die bestemd zijn voor leasekosten Rabobank en termijnen voor Ebury vóór gaan, zodat met die gelden rekening moet worden gehouden bij de vaststelling van de ‘
positieve cash flow’. Een dergelijk voorbehoud is slechts begrijpelijk binnen de door [appellant] voorgestane uitleg: de beide voorbehouden houden een opsomming in van de kostenposten die vóórgaan uit de beschikbare middelen. Pas als er na de ‘reserveringen’ voor die beide posten nog ‘cash’ beschikbaar is dan kan tot uitbetaling van de vaste maandvergoedingen worden overgegaan. Als de aflossing van de schuld aan de holding ook voor zou moeten gaan, dan had voor de hand gelegen die post in deze rij op te nemen, wat niet is geschied. Daarbij is ook van betekenis dat de uitleg van HMK, dat eerst de investeringen moeten zijn terugverdiend, ook niet voor de hand ligt omdat in dat geval in het eerste jaar sowieso niet zou kunnen worden voldaan aan het voor de basisvergoeding geldende vereiste van een positieve ‘cash flow’, hetgeen haaks staat op het feit dat er de eerste drie maanden van de overeenkomst wel maandelijkse basisvergoeding aan de partners is uitgekeerd. Door HMK is niet gesteld, noch is voldoende gebleken dat de ‘cash flow’ tussen de eerdere momenten van uitbetaling (tot en met juli 2020) en de maanden waarin niet tot uitbetaling is overgegaan (augustus e.v.) dermate ingrijpend gewijzigd is, dat er feitelijk geen ‘cash’ beschikbaar was om de vaste maandelijkse vergoeding te betalen.
Tussen partijen staat wel vast dat eind 2020 het banksaldo van HMK ruim € 90.000,- betrof, waarmee op dat moment aan de eis ‘
positieve cash flow’ geacht moet worden te zijn voldaan. Waar de andere voormalige partners grotendeels hebben afgezien van de resterende vergoedingen waren er eind 2020 (dan wel begin 2021) voldoende middelen (‘cash’) beschikbaar om de vorderingen van [appellant] over 2020 te voldoen Ook het uiteindelijk fors hogere positieve resultaat van HMK over 2020 veronderstelt dat de over de eerste maanden ingezette lijn van bestendige betaling van de maandelijkse partnervergoedingen over de maanden augustus tot en met december 2020 had kunnen worden voortgezet. Daarmee staat vast dat ook de grief tegen het andersluidende oordeel van de rechtbank slaagt.
3.14
Het hof stelt vast dat HMK bij de uitvoering van de verplichtingen uit de partnerovereenkomst jegens [appellant] in gebreke is gebleven. Zij had de basisvergoeding per maand over de maanden augustus tot en met december 2020 à € 5.000,- exclusief BTW (€ 6.050,- inclusief BTW) aan [appellant] dienen te voldoen, omdat – zoals uit het voorgaande volgt - is voldaan aan de vereisten voor betaling van de basisvergoeding.
Ook had zij [appellant] zijn winstaandeel van 5% over € 275.587,75, zijnde
€ 13.779,39 moeten betalen. HMK zal tot betaling van beide bedragen, in totaal
€ 46.279,39 worden veroordeeld, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 30.250,- vanaf de vervaldatum van de facturen, zoals vermeld in het petitum onder II.2 en te vermeerderen over de wettelijke rente over € 13.779,39 vanaf 16 januari 2022, zoals gevorderd in II.3b van het petitum. HMK heeft immers noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep apart verweer gevoerd tegen de mee gevorderde wettelijke handelsrente. De vordering van [appellant] tot ‘vaststelling van de winst 2020’ (II.3a van het petitum) wordt afgewezen bij gebreke van enig separaat belang, naast vorenstaande veroordelingen. De overige grieven van [appellant] hebben in het licht van het vorenstaande geen zelfstandige betekenis en behoeven daarom geen bespreking.
3.15
Door HMK, noch door [appellant] zijn andere feitelijke stellingen aangevoerd en gehandhaafd die, indien voldoende betwist en vervolgens bewezen, tot een andere beoordeling kunnen leiden. Het algemene bewijsaanbod van [appellant] ziet niet op feiten die tot een andere beslissing kunnen leiden. Het algemene bewijsaanbod van HMK in hoger beroep ziet niet op specifieke feiten en verwijst slechts naar het bewijsaanbod in eerste aanleg. Het bewijsaanbod van HMK in eerste aanleg ziet op de volgende feiten en getuigen:
- genoemde notaris: deze zou in de beginfase van HMK en het opstellen van de partnerovereenkomst betrokken zijn geweest, maar niet is gesteld dat hij bij de verdere onderhandelingen en/of het opstellen en/of ondertekenen van de uiteindelijke partnerovereenkomst aanwezig is geweest en uit dien hoofde kan verklaren; het bewijsaanbod is daarmee irrelevant;
- genoemde sourcing manager: deze zou bij het allereerste overleg van de partners aanwezig zijn geweest, waarbij de voorwaarden voor samenwerking zijn besproken en de partners instemden met no cure no pay, maar niet is gesteld dat hij bij de verdere onderhandelingen en/of het opstellen en/of ondertekenen van de partnerovereenkomst aanwezig is geweest en uit dien hoofde kan verklaren; het bewijsaanbod is daarmee irrelevant;
- genoemde projectmanager: zij zou betrokken zijn geweest bij o.m. de dagelijkse bedrijfsvoering van HMK, maar niet is gesteld dat zij bij de onderhandelingen en/of het opstellen en/of het ondertekenen van de partnerovereenkomst aanwezig is geweest en uit dien hoofde kan verklaren; het bewijsaanbod is daarmee irrelevant;
- genoemde fiscalist, die over de financiële resultaten van HMK over het jaar 2020 zou kunnen verklaren, maar waarvan niet is gesteld en het tegendeel is gebleken dat zij aanwezig is geweest bij de onderhandelingen en/of het ondertekenen van de partnerovereenkomst en/of bij de in 2020 gemaakte afspraken of bij de gebeurtenissen binnen HMK gedurende 2020. Ook dit bewijsaanbod is daarmee irrelevant.
Daarmee staat vast dat het bewijsaanbod niet voldoende specifiek ziet op de in hoger beroep resterende feiten die partijen verdeeld hielden, waarbij ook vaststaat dat de genoemde getuigen niet aanwezig waren (in de finale fase van de onderhandelingen en bij de ondertekening) zodat zij niet kunnen verklaren over de (gehele) onderhandelingen leidende tot de partnerovereenkomst, terwijl geen van hen aan die onderhandelingen heeft deelgenomen of bij het ondertekenen van de partnerovereenkomst aanwezig is geweest. De daarbij te bewijzen aangeboden feiten zijn daarmee irrelevant voor de uitleg van de overeenkomst, mede gelet op hetgeen het hof dienaangaande hiervoor heeft overwogen en beslist.
3.16
De grieven van [appellant] slagen, het bestreden vonnis zal worden vernietigd, de vorderingen van [appellant] zullen, zoals hiervoor vastgesteld, worden toegewezen, met veroordeling van HMK als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure in beide instanties, daaronder begrepen de kosten van het incident en de beslagkosten, waartegen in beide instanties geen verweer is gevoerd.

5.Beslissing.

Het hof:
In het incident:
veroordeelt HMK in de kosten van het incident aan de zijde van [appellant] , welke kosten worden begroot op € 1.571,00;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
In de hoofdzaak:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt HMK tot betaling aan [appellant] van een bedrag groot € 46,279,39, vermeerderd met de wettelijke handelsrente:
  • over € 6.050,- vanaf 28 oktober 2020;
  • over € 24.200 vanaf 15 januari 2021; en vermeerderd met de wettelijke rente
  • over € 13.779,39 vanaf 16 februari 2022, tot aan de voldoening;
veroordeelt HMK tot terugbetaling van al hetgeen [appellant] krachtens het vernietigde vonnis aan haar heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro vanaf 31 mei 2023 tot aan de voldoening;
veroordeelt HMK in de kosten van beide instanties,
  • in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] begroot op € 1.301,00 wegens griffierecht, vermeerderd met € 103,33 wegens explootkosten en op € 2.366,00 wegens salaris gemachtigde;
  • in hoger beroep aan de zijde van [appellant] begroot op € 783,00 wegens griffierecht, vermeerderd met € 106,73 wegens explootkosten en op € 3.927,50 wegens salaris advocaat, te vermeerderen met de explootkosten en met nasalaris indien het arrest aan HMK betekend zal worden en met de wettelijke rente over deze kostenveroordelingen vanaf 21 dagen na heden tot aan de voldoening;
  • wegens beslagkosten: € 1.253,91, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 21 dagen na heden tot aan de voldoening;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.C. Boot, H.T. van der Meer en N. Kampert en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.