Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:985

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
200.358.973/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging voorlopige zorgregeling voor tweejarige minderjarige met wekelijkse omgang bij vader

De zaak betreft een geschil over de voorlopige zorgregeling voor een tweejarige minderjarige tussen de ouders, die gezamenlijk het gezag hebben. De rechtbank had eerder bepaald dat de minderjarige op woensdag en zondag bij de vader verblijft, met uitbreiding naar overnachtingen, maar de moeder was hiertegen in hoger beroep gekomen omdat zij vond dat de minderjarige te jong is voor overnachtingen bij de vader.

Tijdens de procedure in hoger beroep bereikten partijen overeenstemming over een aangepaste voorlopige zorgregeling, waarbij de minderjarige wekelijks op woensdag en zondag van 09:30 tot 19:00 uur bij de vader verblijft. De vader haalt de minderjarige op en brengt hem terug bij de voordeur van de moeder. Tevens is afgesproken dat de vader tweemaal per omgangsdag per sms informatie aan de moeder verstrekt over het welzijn van de minderjarige.

Het hof oordeelde dat deze regeling in het belang van de minderjarige is en vernietigde de eerdere beschikking voor zover deze afweek van deze regeling. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De zaak benadrukt het belang van duidelijke afspraken en communicatie tussen ouders in het kader van de zorg en omgang met jonge kinderen.

Uitkomst: Het hof wijzigt de voorlopige zorgregeling en bepaalt dat de minderjarige wekelijks op woensdag en zondag van 09:30 tot 19:00 uur bij de vader verblijft met communicatieverplichting via sms.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.358.973/01
zaaknummer rechtbank: C/13/764916 FA RK 25-1335 (VZ/NN)
beschikking van de meervoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: (de) moeder,
advocaat: mr. T.P. Schut te Amsterdam,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: (de) vader,
advocaat: mr. K.R. Lieuw On te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Raad voor de Kinderbescherming [plaats A] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de zorgregeling voor [minderjarige 1] (twee jaar). De rechtbank heeft in een voorlopige beslissing de regeling waarbij [minderjarige 1] op de woensdag en zondag bij vader verblijft uitgebreid met eerst één overnachting en daarna twee overnachtingen per week.
De moeder is het daar niet mee eens en vindt [minderjarige 1] nog te jong om bij vader te overnachten. De vader is het wel eens met de bestreden beschikking.
1.2
Partijen hebben tijdens de zitting in hoger beroep overeenstemming bereikt over de voorlopige zorgregeling die zal gelden totdat de rechtbank in de hoofdzaak een nadere beslissing zal nemen.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 4 september 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 21 augustus 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
2.2
De vader heeft op 10 november 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast het volgende stuk ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 18 maart 2026 met bijlagen.
2.4
De zitting heeft op 25 maart 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en door mevrouw E. Kosanovic, een tolk in de Engelse taal,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de raad, vertegenwoordigd door de heer V. Aelbers.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige 1] , geboren [in] 2024 te [plaats A] , hierna te noemen: [minderjarige 1] .
3.2
De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad tot oktober 2024.
3.3
De vader heeft [minderjarige 1] erkend. Partijen hebben het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] .
3.4
De ouders en [minderjarige 1] hebben de Italiaanse nationaliteit.
3.5
De vader heeft nog twee kinderen uit een eerdere relatie, te weten [minderjarige 2] , geboren [in] 2016 en [minderjarige 3] , geboren [in] 2017, hierna: [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
3.6
Bij beschikking van de rechtbank van 2 mei 2025, in het kader van provisionele voorzieningen, heeft de rechtbank beslist overeenkomstig de door partijen bij de mondelinge behandeling bereikte overeenstemming ten aanzien van de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling), inhoudende dat [minderjarige 1] iedere woensdag van 13:30 uur tot 19:00 uur en zondag van 09:00 uur tot 14:00 uur bij vader verblijft, waarbij vader [minderjarige 1] ophaalt bij moeder en moeder [minderjarige 1] ophaalt bij vader.
3.7
Voornoemde regeling is daarna tweemaal niet nageleefd, waardoor vader een kort geding procedure is gestart om de beschikking ten uitvoer te mogen leggen. Deze vordering is bij mondelinge uitspraak van 4 juni 2025 door de voorzieningenrechter van de rechtbank afgewezen omdat sinds 7 mei 2025 de beschikking wel correct is nageleefd en hierdoor geen sprake meer is van een acute situatie die ingrijpen van een rechter vereist.
3.8
Vervolgens is in de bestreden beschikking de voorlopige zorgregeling, in afwachting van het door partijen te volgen hulpverleningstraject, uitgebreid met twee overnachtingen per week zoals hierna omschreven.
3.9
De moeder heeft in hoger beroep om schorsing van de werking van de bestreden beschikking verzocht en vader heeft op zijn beurt, als incidenteel verzoek, nakoming van de beschikking verzocht. Het hof heeft bij beschikking van 16 december 2025 beide verzoeken afgewezen. Het hof heeft hiertoe onder meer overwogen geen belemmering van betekenis te zien voor een overnachting van [minderjarige 1] bij de vader zodat de door de rechtbank bepaalde zorgregeling in stand blijft. Verder heeft het hof geoordeeld dat vader geen belang heeft bij zijn verzoek tot nakoming, omdat de bestreden beschikking al (uitvoerbaar bij voorraad) een executoriale titel oplevert en de moeder verplicht tot nakoming daarvan.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking als (voorlopige) zorgregeling bepaald, dat:
- na de zomervakantie 2025 de vader [minderjarige 1] op woensdagen en zondagen om 9:30 uur bij de
moeder ophaalt en hem om 19:00 uur aldaar weer terugbrengt;
- vanaf 1 oktober 2025 de vader [minderjarige 1] op woensdagen bij de moeder ophaalt om 9:30 uur en hem om 19:00 uur daar weer terugbrengt en dat de vader [minderjarige 1] op zondagen om 9:00 uur ophaalt en op maandagen om 9:30 uur weer terugbrengt bij de moeder;
- vanaf 1 januari 2026 de vader [minderjarige 1] op woensdagen om 9:00 uur bij de moeder ophaalt en op de donderdagen om 9:30 uur weer terugbrengt bij de moeder. Op zondagen haalt de vader [minderjarige 1] op om 9:00 uur en brengt hem op maandagen om 9:30 uur weer terug bij de moeder.
Mocht [minderjarige 1] (op termijn) naar een opvang/kinderdagverblijf of voorschool gaan dan kan de vader hem daar terugbrengen in plaats van bij de moeder.
Voorts is de behandeling pro forma aangehouden in afwachting van de in te zetten hulpverlening voor partijen in het kader van het uniform hulpaanbod en is iedere (verdere) beslissing ten aanzien van de (definitieve) zorgregeling, waaronder de vakantieregeling en het inzetten van de sterke arm bij het uitvoeren van de bestreden beschikking, aangehouden.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking (in zoverre) en zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een omgangsregeling conform de beschikking van de rechtbank van 2 mei 2025 te bepalen, althans dat de vader iedere woensdag van 13:30 uur tot 19:00 uur en iedere zondag van 09:00 uur tot 14:00 uur omgang zal hebben met [minderjarige 1] .
De vader heeft hiertegen verweer gevoerd en wenst dat de bestreden beschikking wordt bekrachtigd.
4.3
De moeder heeft haar verzoeken tijdens de zitting in hoger beroep ingetrokken gezien de hierna te noemen tussen partijen bereikte overeenstemming. Zij heeft het hof verzocht te beslissen conform de bereikte overeenstemming.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd te beslissen op de verzoeken. De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. Dat is in deze procedure niet in geschil tussen partijen, zodat ook het hof dat zal doen.
Het wettelijk kader
5.2
De ouders hebben samen het gezag. Uit artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder meer omvatten
een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.
Inhoudelijk
5.3
Tijdens de zitting is gebleken dat de via de rechtbank ingezette hulpverlening bij iHub niet van de grond is gekomen en [minderjarige 1] sinds 1 februari 2026 niet meer naar vader gaat. De moeder heeft mediation voorgesteld, maar dit is door vader afgewezen omdat hij de kosten hiervoor niet kan dragen.
Standpunt partijen
5.4
Moeder vindt dat de communicatie tussen partijen, met name sinds de laatste beslissing van dit hof, slecht verloopt. Zij wil het contact met vader via whatsapp in plaats van sms laten verlopen omdat er dan ook foto’s en filmpjes kunnen worden toegezonden en zij dan beter kan zien hoe de omgang bij vader verloopt. Daarnaast wil moeder een ‘warme overdracht’ van [minderjarige 1] , waarbij vader bij haar thuis binnenkomt, een kopje koffie/thee drinkt en partijen zaken betreffende [minderjarige 1] kunnen bespreken. Als daaraan is voldaan en de regeling verloopt goed dan kan worden uitgebreid met overnachtingen. Op dit moment is vader echter bij het ophalen van [minderjarige 1] niet respectvol richting moeder en is er geen communicatie mogelijk; hierdoor kan moeder [minderjarige 1] niet met een goed gevoel aan vader meegeven.
5.5
Vader brengt naar voren dat hij momenteel noodgedwongen bij zijn ex-partner, de moeder van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , in huis verblijft. Hij kan geen zelfstandige woning betrekken, omdat hij nog samen met moeder op het huurcontract van de door hen gehuurde woning is ingeschreven, terwijl moeder in de woning verblijft en niet meewerkt aan de uitschrijving van vader. Omdat de familie van de ex-partner over is uit Italië en ook in de woning verblijft, is het voor vader op dit moment niet mogelijk om [minderjarige 1] bij hem te laten overnachten. De vader wil wel dat de normale regeling waarbij [minderjarige 1] twee dagen per week bij hem verblijft, zo snel mogelijk wordt hervat in het belang van [minderjarige 1] . Vader betwist dat hij moeder niet respectvol behandelt. Hij vermijdt wel de communicatie tussen hen omdat hij bang is dat de situatie hierdoor (verder) escaleert.
Het advies van de raad
5.6
De raad houdt voor dat de focus van partijen op [minderjarige 1] moet liggen, zij moeten voorbij hun eigen (ex-partner)problematiek kijken. [minderjarige 1] heeft het nodig om te weten waar hij aan toe is. Hij moet op zijn ouders kunnen vertrouwen dat zij afspraken maken over de zorgregeling en deze afspraken ook naleven. Voor nu adviseert de raad dat er een zorgregeling wordt vastgelegd die ook nagekomen wordt. Overnachtingen lijken op dit moment niet mogelijk zodat het gaat over een regeling waarbij [minderjarige 1] twee dagen per week bij vader verblijft. In de bodemprocedure bij de rechtbank zal dan opnieuw moeten worden gekeken welke uitbreiding mogelijk is.
Overeenstemming
5.7
Partijen hebben tijdens de zitting overeenstemming bereikt over de voorlopige zorgregeling die zal gelden totdat de rechtbank in de hoofdzaak een nadere beslissing zal nemen.
Partijen zijn overeengekomen dat [minderjarige 1] wekelijks op woensdag en zondag van 09:30 uur tot 19:00 uur bij vader zal verblijven, waarbij vader [minderjarige 1] ophaalt bij de voordeur van moeder en hem daar weer terugbrengt. Daarbij hebben partijen afgesproken dat vader aan moeder tweemaal per omgangsdag een sms stuurt met informatie over hoe het met [minderjarige 1] gaat. Deze regeling start op 29 maart 2026.
5.8
Het hof acht hetgeen partijen zijn overeengekomen in het belang van [minderjarige 1] wenselijk en zal dienovereenkomstig beslissen. Omdat de door partijen afgesproken regeling afwijkt van de bestreden beslissing, zal het hof de beslissing op dit punt vernietigen.
5.9
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 21 augustus 2025, voor zover daarin een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is bepaald, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijzigt de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders, aldus dat met ingang van 29 maart 2026:
- [minderjarige 1] iedere week op woensdag en zondag van 09:30 uur tot 19:00 uur bij de vader verblijft, waarbij de vader hem bij de voordeur van moeder ophaalt en daar terugbrengt; en
waarbij de vader de moeder per omgangsdag twee sms-berichten stuurt met informatie betreffende [minderjarige 1] ;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, mr. R.M. Troost en mr. M. Perfors, in tegenwoordigheid van mr. E.W.K. Bosman als griffier en is op 14 april 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.