De terbeschikkinggestelde is veroordeeld voor poging tot vleselijke gemeenschap met een meisje onder twaalf jaar en voor het opzettelijk beroven en beroofd houden van iemand van zijn vrijheid. De rechtbank Amsterdam verlengde de terbeschikkingstelling met verpleging met twee jaar, waartegen het hoger beroep is ingesteld.
Tijdens de zitting heeft het hof de terbeschikkinggestelde gehoord, bijgestaan door zijn advocaat, en ook de advocaat-generaal was aanwezig. Het hof heeft diverse stukken bestudeerd, waaronder het verlengingsadvies van de GGZ-instelling en aanvullende informatie van de kliniek. De verdediging stelde dat de terbeschikkinggestelde zich in een uitzichtloze situatie bevindt en onvoldoende kansen heeft gehad op behandeling en resocialisatie, en verzocht om een onderzoek in het Pieter Baan Centrum.
Het openbaar ministerie benadrukte het hoge recidivegevaar en de noodzaak van voortzetting van de maatregel. Het hof oordeelde dat het verzoek tot nader onderzoek niet noodzakelijk is en bevestigde de beslissing van de rechtbank tot verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaar. Tevens stelde het hof vast dat de maatregel terecht is opgelegd voor geweldsmisdrijven, conform artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht.