Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
.
3.De vaststaande feiten
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
Kamerstukken II, 2001/02, 27 554, nr. 5, pag. 12). Vermogen is het geheel van goederen en schulden. Bij de uitvoering van een periodiek verrekenbeding op de voet van artikel 1:141 lid 3 BW Pro betreft het dan ook niet alleen goederen, maar ook schulden. Uit de stukken blijkt dat bij het einde van huwelijk, gelet op de schulden die er waren, geen sprake was van activa waar die overgespaarde inkomsten in zijn geïnvesteerd, zodat in dit geval geen sprake kan zijn van een verrekeningvordering voor de vrouw ter zake onverteerde overgespaarde inkomsten. Ook de eisen van redelijkheid en billijkheid maken dit oordeel niet anders.