Belanghebbenden waren het niet eens met de proceskostenvergoeding die de heffingsambtenaar van de gemeente Lochem had toegekend na een bezwaarprocedure over de WOZ-waarde van hun woning. De rechtbank Zutphen verklaarde hun beroep niet-ontvankelijk omdat de rechtsbijstand op basis van een no cure no pay-afspraak was verleend, waardoor volgens de rechtbank geen procesbelang bestond.
In hoger beroep oordeelt het Hof dat rechtsbijstand op basis van no cure no pay geen belemmering vormt voor het toekennen van een proceskostenvergoeding. De gemachtigde was bevoegd het beroep in te stellen en het geschil over de proceskostenvergoeding is ontvankelijk. Het Hof stelt vast dat ook de kosten van de taxateur voor het bijwonen van de hoorzitting in de bezwaarfase voor vergoeding in aanmerking komen.
Het Hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar voor zover deze de proceskostenvergoeding betreft. De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op € 743,65 en de heffingsambtenaar wordt veroordeeld in de proceskosten van belanghebbenden van € 708. Tevens wordt het betaalde griffierecht vergoed. De uitspraak is gedaan door het Hof op 17 september 2013.