Belanghebbende, een vennootschap onder firma die een administratiekantoor en paardenstal exploiteert, kreeg naheffingsaanslagen en vergrijpboetes opgelegd over de jaren 2005 tot en met 2009 wegens te weinig betaalde omzetbelasting. Na een boekenonderzoek constateerde de Belastingdienst dat de administratie niet klopte en dat belastingbedragen niet volledig waren afgedragen. Belanghebbende diende suppletieaangiften in, maar deze werden niet als vrijwillige verbetering erkend omdat de inspecteur al op de hoogte was.
De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep ongegrond en het hof bevestigt dit oordeel. Het hof oordeelt dat sprake is van voorwaardelijk opzet, omdat belanghebbende als administratiekantoor wist dat volledige omzet moest worden verantwoord en bewust de kans aanvaardde dat te weinig belasting werd betaald. Het beroep op vrijwillige verbetering faalt, omdat de suppletieaangiften pas werden ingediend nadat de inspecteur al vermoedde dat er onjuistheden waren.
Verder oordeelt het hof dat de opgelegde boetes proportioneel zijn en dat geen verzachtende omstandigheden, zoals ziekte van een medewerkster of liquiditeitsproblemen, tot matiging leiden. De heffingsrente is eveneens terecht opgelegd. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.