De zaak betreft een geschil tussen ouders over de verdeling van zorg- en opvoedingstaken en het recht op omgang met hun minderjarige kind. Na echtscheiding oefenden zij gezamenlijk gezag uit, waarbij het kind haar hoofdverblijfplaats bij de moeder had en de vader omgangsrecht op bepaalde dagen. De moeder verzocht ontzegging van het omgangsrecht vanwege verdenking van seksueel misbruik, waarvan de vader werd vrijgesproken.
De rechtbank ontzegde de vader het recht op contact voor drie jaar, waartegen de vader in hoger beroep ging. De moeder kwam in incidenteel hoger beroep tegen de duur van de ontzegging. Het hof oordeelt dat een ouder met gezag niet het recht op omgang kan worden ontzegd op grond van artikel 1:377a lid 3 BW, maar wel een tijdelijk contactverbod kan worden opgelegd indien het belang van het kind dit vereist.
Het hof stelt vast dat het kind een hevige weerstand tegen contact met de vader heeft ontwikkeld, gekoppeld aan het vermeende misbruik, ondanks het ontbreken van bewijs tegen de vader. Gezien het belang van het kind wordt een tijdelijk verbod van negen maanden opgelegd. Het hof benadrukt het belang van contactherstel en legt de verantwoordelijkheid bij beide ouders, met name de moeder, om dit proces te ondersteunen en de vader te informeren over het kind. De eerdere beschikking wordt vernietigd en de proceskosten worden gecompenseerd.