Uitspraak
[appellant],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak staat een geschil centraal over de exacte ligging van de erfgrens tussen twee percelen, waarbij appellant stelt eigenaar te zijn van twee stroken grond die feitelijk door geïntimeerde worden gebruikt. Het gebied is onderdeel van een ruilverkaveling waarbij het Kadaster de grenzen opnieuw heeft vastgesteld en gemarkeerd.
Appellant vorderde onder meer herstel van de erfafscheiding en eigendom van de stroken grond op basis van verkrijgende verjaring. Het hof heeft een plaatsopneming gelast en onderzocht of de feitelijke grenzen overeenkomen met de kadastrale grenzen. Uit de bevindingen blijkt dat de afrastering samenvalt met de kadastrale grens en dat appellant zijn stellingen over verplaatsing van paaltjes en eigendom niet voldoende heeft onderbouwd.
Het hof oordeelt dat door de ruilverkaveling alle voorgaande rechten en verjaringstermijnen zijn komen te vervallen en opnieuw zijn gaan lopen vanaf de akte van toedeling in 1994. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij na die datum aan de voorwaarden voor verjaring heeft voldaan. De vorderingen worden daarom afgewezen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen van appellant af wegens onvoldoende onderbouwing en het effect van de ruilverkaveling.