Uitspraak
1.[appellant 1],
[appellant 1],
[appellant 2],
[appellanten],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele procedure in hoger beroep stonden geschillen omtrent een overeenkomst van 19 maart 2008 centraal, waarbij appellanten en geïntimeerde betrokken waren. Het hof verwees naar een eerder arrest van 20 maart 2012 waarin was vastgesteld dat de overeenkomst in onderling overleg was ontbonden en dat appellanten tekort waren geschoten in hun contractuele verplichtingen, zoals het vestigen van een zekerheidsrecht en legalisering van de overeenkomst.
Het hof oordeelde dat het eerdere arrest gezag van gewijsde heeft en dat de vorderingen van appellanten in hoger beroep daardoor niet ontvankelijk zijn. De stellingen van appellanten dat zij hun standpunten beter hadden onderbouwd, konden daaraan niet afdoen. Het hof stelde vast dat de overeenkomst en de feiten tussen partijen dezelfde waren als in het eerdere arrest.
De grieven van appellanten tegen het vonnis in vrijwaring van 28 april 2010 konden niet leiden tot een andere uitkomst. Het hof bekrachtigde daarom het vonnis en veroordeelde appellanten in de kosten van het hoger beroep. De uitspraak werd op 24 december 2013 door het hof Arnhem-Leeuwarden gewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van 28 april 2010 en veroordeelt appellanten in de kosten van het hoger beroep.