ECLI:NL:GHARL:2013:BZ1861
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen kwalificatie als pachtovereenkomst voor mestrechten op percelen
In deze zaak stond centraal of een overeenkomst tussen [appellante] en Groen Invest c.s. als pachtovereenkomst kon worden gekwalificeerd en schriftelijk vastgelegd op grond van artikel 7:317 BW Pro. De overeenkomst betrof het gebruik van mestrechten op percelen, waarbij [appellante] mestruimte aan derden tegen betaling ter beschikking stelde en onderhoud verrichtte.
Het hof stelde vast dat de percelen niet daadwerkelijk aan [appellante] in gebruik waren gegeven voor de uitoefening van landbouw, noch dat zij deze bedrijfsmatig gebruikte voor bodemcultuur zoals bedoeld in artikel 7:312 BW Pro. Het enkele feit dat de percelen aan derden werden ter beschikking gesteld voor vee of landbouwactiviteiten maakt de overeenkomst niet tot een pachtovereenkomst.
De pachtkamer was bevoegd de zaak te behandelen omdat de beoordeling van het bestaan van een pachtovereenkomst onlosmakelijk verbonden is met de vordering tot schriftelijke vastlegging. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en wees de vorderingen van [appellante] af, ook omdat zij onvoldoende bewijs aanbood om tot een andere conclusie te komen.
[Appellante] werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De procedure werd afgesloten zonder dat de overeenkomst als pachtovereenkomst werd erkend, waarmee de vorderingen tot schriftelijke vastlegging werden afgewezen.
Uitkomst: De vorderingen tot schriftelijke vastlegging van de overeenkomst als pachtovereenkomst worden afgewezen.