ECLI:NL:GHARL:2013:BZ4049
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Twijfel over het bestaan van een arbeidsovereenkomst in de kinderopvangsector
In deze zaak staat centraal of tussen partijen daadwerkelijk een arbeidsovereenkomst heeft bestaan. De geïntimeerde stelt dat zij als beleidsmedewerkster werkzaamheden heeft verricht voor de appellant, terwijl de appellant betwist dat er een echte arbeidsrelatie was en spreekt van een fictieve inschrijving op de loonlijst.
Het hof weegt de overgelegde arbeidsovereenkomst af tegen een spiegelbeeldige overeenkomst en verklaringen van personeelsleden die de aanwezigheid van de geïntimeerde ontkennen. Ook de late loonvordering en het ontbreken van een gezagsrelatie spelen een rol in het oordeel dat het bestaan van een reële arbeidsovereenkomst niet vaststaat.
Het hof draagt de geïntimeerde op nader bewijs te leveren over de gezagsverhouding en de uitvoering van werkzaamheden, waaronder beleidsplannen en personeelsdossiers. Verder wordt de procedure aangehouden om dit bewijs te kunnen beoordelen.
Daarnaast oordeelt het hof dat een brief van opzegging uit 2009 niet is ontvangen en dat de arbeidsovereenkomst, indien die al bestond, uiterlijk op 1 mei 2010 is geëindigd. De geïntimeerde kan daarom hoogstens aanspraak maken op loon tot die datum.
De zaak wordt aangehouden voor het nader bewijs en verdere beslissing, waarbij getuigenverhoren onder leiding van een raadsheer-commissaris zullen plaatsvinden.
Uitkomst: Het hof draagt nader bewijs op over het bestaan van een arbeidsovereenkomst en houdt de beslissing aan.