ECLI:NL:GHARL:2013:BZ4088
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuurdersaansprakelijkheid bij niet-naleving eerste pandrecht ondanks kredietovereenkomst
In deze civiele zaak staat de vraag centraal of een bestuurder persoonlijk aansprakelijk is voor het niet nakomen van de verplichting tot het vestigen van een eerste pandrecht ten behoeve van een kredietverstrekker (RCI). De vennootschappen hadden pandakten ondertekend die een eerste pandrecht toezegden, maar een bank had een ouder pandrecht waardoor RCI niet volledig werd terugbetaald.
De rechtbank wees de vordering van RCI af, stellende dat de pandakte ruimer was dan de kredietovereenkomst en dat de bestuurder mocht uitgaan van de beperkte verplichting uit de kredietovereenkomst. Het hof vernietigde deze uitleg en oordeelde dat de pandakte zelf doorslaggevend is voor de verpandingsplicht, die ruimer was dan de kredietovereenkomst.
Het hof stelde vast dat de vennootschappen tekort waren geschoten jegens RCI, maar dat de bestuurder niet persoonlijk aansprakelijk kon worden gehouden omdat RCI onvoldoende feiten had gesteld waaruit bleek dat de bestuurder bij het aangaan van de verplichting wist of behoorde te begrijpen dat de vennootschappen niet zouden voldoen en geen verhaal boden. De vordering werd daarom afgewezen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
De uitspraak benadrukt de hoge norm voor bestuurdersaansprakelijkheid, waarbij een ernstig verwijt vereist is en de bestuurder moet hebben voorzien dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden. De zaak illustreert de toepassing van de Beklamel-norm en de uitleg van pandakten in samenhang met kredietovereenkomsten.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering van RCI af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank; de bestuurder is niet persoonlijk aansprakelijk.