Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
NJ2002, 610). De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven, omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de uit te leggen bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval. In zijn hiervoor genoemde arrest van 20 september 2002 heeft de Hoge Raad aangaande de uitleg van een pandakte bepaald dat de omstandigheid dat een overeenkomst de titel vormt voor de vestiging van een – tegen derden in te roepen - pandrecht, op zichzelf niet rechtvaardigt een andere dan de zojuist beschreven maatstaf toe te passen.
Gelet hierop is het [verweerder] niet aan te rekenen dat hij in de veronderstelling verkeerde dat op grond van de met ABN AMRO gesloten kredietovereenkomsten geen pandrecht was gevestigd op de door RCI gefinancierde auto's.”
endat zij geen verhaal biedt voorde daardoor ontstane schade.
3.Inleiding
4.Bespreking van het principale beroep
onderdeel 1.1van het principale middel was de vordering van RCI op drie verschillende grondslagen gestoeld: [verweerder] is persoonlijk aansprakelijk omdat:
onderdelen 1.1, 1.2en
3.1 - 3.3behelzen geen klachten.
Onderdeel 3.4is een aanloopje tot de daarna geformuleerde klachten.
ten tijde van de vestiging van het pandrechtvoorzienbaar was, dan wel behoorde te zijn, “dat die (ik voeg toe: [B-])vennootschappen geen verhaal zouden bieden voor de schade van RCI” (rov. 15). In rov. 16 herhaalt het Hof dat oordeel nog eens in wat uitvoeriger en krasser bewoordingen.
onderdelen 1.4, 1.6 in fine, 2.1, 2.2en mogelijk ook
3.6en
3.7.
onderdeel 2.2meent, is de enkele omstandigheid dat [verweerder] wist of behoorde te weten dat RCI een wat het onderdeel aanduidt als “significant slechtere zekerheidspositie” zou krijgen, m.i. niet steeds en zonder meer voldoende voor persoonlijke aansprakelijkheid. Nog daargelaten dat het begrip “significant slechter” betrekkelijk vaag is – onduidelijk is immers of RCI het ex post of ex ante perspectief hanteert – moet worden bedacht dat aan persoonlijke aansprakelijkheid strenge eisen worden gesteld. Behoren te weten, acht ik dan niet een aanstonds voor de hand liggende maatstaf om zonder meer en steeds persoonlijke aansprakelijkheid op te baseren. Men kan het ook en wellicht beter aldus formuleren: in dit soort settingen kan niet te gemakkelijk van een “behoren te weten” worden uitgegaan. Ik werk dat hierna kort uit.
wellichtverwacht mogen worden dat deelnemers aan het rechtsverkeer (relevante) stukken steeds goed lezen alvorens ze te tekenen. In zo’n setting zou men wellicht kunnen verdedigen dat niet goed lezen alvorens te tekenen meebrengt dat degene die toch tekent de inhoud
behoortte kennen. Voor zover “behoren te kennen” rechtens een dergelijke betekenis zou hebben, zou ik dat om de onder 4.8 genoemde redenen niet steeds voldoende vinden voor persoonlijke aansprakelijkheid. Vruchtbaarder lijkt mij evenwel om niet al te snel van een “behoren te kennen” uit te gaan. Het is niet nodig hier verder bij te verwijlen omdat er in abstracto niet veel nuttigs over valt te zeggen.
5.Bespreking van het incidentele middel
Onderdeel 1.1behelst geen klacht.
Onderdeel 1.2klaagt dat het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door op de in rov. 3.4, 3.6 en 3.7 omschreven wijze de inhoud van de verpandingsplicht van de [B-]vennootschappen jegens de bank te bepalen. Het Hof zou hebben miskend dat, voor zover de onderliggende kredietovereenkomsten geen verplichting behelzen tot verpanding van (ook) de door RCI gefinancierde voertuigen, een pandrecht daarop niet (louter) door de pandakte kan zijn gevestigd. Gelet op het causale stelsel dat een geldige titel vereist voor de rechtsgeldige vestiging van een pandrecht, had het Hof moeten oordelen dat de bank geen geldig pandrecht heeft verkregen, althans dat ten opzichte van de bank slechts een geldig pandrecht tot stand is gekomen met de strekking waarover, gelet op de kredietovereenkomst, wilsovereenstemming bestaat.
lijktte volgen dat het Hof (vooral) de inhoud van de pandakten beslissend acht. In die lezing mist de klacht geen feitelijke grondslag. Het is wél de vraag of het onderdeel een voldoende duidelijke klacht formuleert die bij deze lezing aanhaakt. Immers wordt ingezet op een aantal rechtsoverwegingen en wordt niet aangevoerd dat rov. 3.7 zich niet goed verdraagt met hetgeen daaraan voorafgaat.
gewijzigd. Dat het Hof dit heeft bedoeld, blijkt uit de laatste drie volzinnen van rov. 3.7. Daarvan uitgaande, valt te begrijpen dat het Hof de anders luidende, want inmiddels achterhaalde, onderliggende overeenkomst niet meer van belang acht.
in zoverrede hand over het hart strijken, dat ik de in
onderdeel 2uitgeschreven stellingen mede naar het hier besproken onderdeel overhevel, voor zover het gaat om
ookin voetnoot 11 bij het thans besproken onderdeel 1.3 genoemde vindplaatsen. Het gaat dan om de volgende stellingen:
alsmedede overige omstandigheden van het geval voor de uitleg van de verpandingsplicht van belang zijn, maar het geeft er vervolgens
in het geheelgeen blijk van de onder 5.15 genoemde overige omstandigheden in zijn beoordeling te hebben betrokken.
Onderdeel 2, dat tegen deze beide overwegingen is gericht met vergelijkbare klachten als zojuist reeds besproken, behoeft dan ook geen verdere behandeling. Ik merk slechts op dat [verweerder] terecht aanvoert dat een en ander van belang is bij de beoordeling van zijn persoonlijke aansprakelijkheid.
vennootschappennadere toelichting behoeft waarom [verweerder]
persoonlijkaansprakelijk zou zijn, uitgaande van de onder 5.13 en 5.15 genoemde stellingen. Een tekortschieten van de vennootschappen dat het Hof, als ik het goed begrijp, hierin zoekt dat de
onduidelijkheid in de relatie tussen de [B-]vennootschappen en de bank niet aan RCI niet zou kunnen worden tegengeworpen. Wat er van dat kunnen tegenwerpen aan RCI en het daarop gebaseerde tekortschieten van de [B-]
vennootschappenook zij, voor een
persoonlijkeaansprakelijkheid van [verweerder] is dat een beduidend te smalle basis. Daarom kan de overweging geen redengevende schakel in ’s Hofs gedachtegang vervullen.