ECLI:NL:GHARL:2013:BZ5777
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrek huisvestingskosten werkruimte in eigen woning voor inkomstenbelasting 2005
Belanghebbende stelde in hoger beroep dat hij recht heeft op aftrek van kosten van huisvesting van zijn onderneming over het jaar 2005, terwijl de Inspecteur dit ontkende. De kern van het geschil was of de werkruimte in de eigen woning, die niet tot het ondernemingsvermogen behoort, als een zelfstandig gedeelte van de woning kon worden aangemerkt volgens artikel 3.16 Wet IB 2001.
De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de aanslag verminderd. Het hof heeft het hoger beroep behandeld waarbij belanghebbende niet is verschenen, maar wel vertegenwoordigd was. Het hof overwoog dat de werkruimte onvoldoende zelfstandigheid bezit om als zelfstandig gedeelte te worden beschouwd, zoals vereist is voor aftrek van de kosten. Ook oordeelde het hof dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het recht op vrij verkeer van diensten niet slaagt.
Het hof bevestigde dat de wetgever bewust deze fiscale regeling heeft vastgesteld en dat de rechter niet bevoegd is om de innerlijke waarde van de wet te toetsen. Belanghebbende had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de werkruimte geen zelfstandig gedeelte is en wijst het hoger beroep af.