Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Werkruimte in de eigen woning
3.Het geding in cassatie
4.Fiscale behandeling werkruimte in eigen woning
5.Toetsingsverbod en toetsing aan het verdragsrechtelijk gelijkheidsbeginsel
NJ2000, 713, rov. 3.4.1; zie ook HR 14 april 1989, nr. 13822,
NJ1989, 469). De gronden hiervoor zijn reeds uiteengezet in het arrest van 14 april 1989; zie ten aanzien van de in subonderdelen 1.1 en 1.2 gehanteerde argumenten rov. 3.4–3.6 en ten aanzien van subonderdeel 1.3 rov. 3.7.
6.Beschouwing
contra legemrecht te spreken op basis van dergelijke beginselen zou berusten op een ongeschreven norm. Binnen het kader van het Nederlandse constitutionele recht waarin niet de rechter maar de wetgever bevoegd is tot wetgeving, ligt de aanvaarding van een dergelijke regel niet voor de hand. [26]
discoursis dat Vranken voorziet dat ook in het jaar 2025 nog niet ‘een erkenning in enigerlei mate van een rechtsvormende taak van de rechtspraak naast de wetgever’ zal zijn gerealiseerd in de Nederlandse wetgeving. [32]