ECLI:NL:GHARL:2013:BZ9707
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- R.A. van der Pol
- I. Tubben
- F.J. Streppel
- Rechtspraak.nl
Gegrond beroep op verjaring van bankvordering na faillissement kredietnemer
Tussen appellant en de bank bestond een kredietovereenkomst die bij faillissement van appellant ineens opeisbaar werd. Appellant werd op 7 mei 1996 failliet verklaard, waardoor de vordering van de bank opeisbaar werd. De bank stelde dat de verjaringstermijn was gestuit door diverse brieven van een incassobureau, maar appellant betwistte ontvangst hiervan.
De rechtbank had het verjaringsverweer van appellant afgewezen en de bankvordering toegewezen. In hoger beroep stelde appellant dat de vordering verjaard was omdat de bank onvoldoende bewijs leverde dat de verjaring tijdig was gestuit. Het hof stelde vast dat de brief van de curator op 1 juli 1996 een stuiting vormde, waarna een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar begon te lopen.
De bank kon niet aannemelijk maken dat de brieven van 5 februari en 31 maart 1999 daadwerkelijk en tijdig aan appellant waren verzonden en ontvangen. De overige brieven waren na het verjaringseinde en konden de termijn niet meer stuiten. Het hof oordeelde dat de vordering op 2 juli 2001 was verjaard en wees de vordering van de bank af. De bank werd veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.
Uitkomst: De vordering van de bank is verjaard en wordt afgewezen.