ECLI:NL:GHARL:2013:CA1802
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over aangifte en kwalificatie effectenportefeuille als ondernemingsvermogen
Belanghebbende exploiteerde in 2008 een eenmanszaak en deed aanvankelijk een aangifte met een negatief belastbaar inkomen uit werk en woning. De Inspecteur stelde echter op basis van omzetbelastinggegevens dat de aangifte onvolledig was en legde een aanslag op met een aanzienlijk hoger belastbaar inkomen. Belanghebbende diende later een aanvullende aangifte in, maar reageerde niet op verzoeken om nadere informatie.
Het geschil betrof of belanghebbende de vereiste aangifte had gedaan en of de effectenportefeuille bij B bank tot het ondernemingsvermogen moest worden gerekend of tot de rendementsgrondslag van box 3. Het hof oordeelde dat belanghebbende niet de vereiste aangifte had gedaan en dat de effectenportefeuille niet tot het ondernemingsvermogen behoorde, mede vanwege de risicovolle beleggingen en het ontbreken van bewijs dat deze middelen binnen de onderneming beschikbaar zouden blijven.
Het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen werd ongegrond verklaard. Het beroep tegen de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet werd niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang, aangezien het inkomen in hoger beroep hoger was dan het maximum bijdrage-inkomen. Het hof bevestigde tevens de heffingsrente. De uitspraak werd gedaan door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 14 mei 2013.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen de Zorgverzekeringswet niet-ontvankelijk.