ECLI:NL:GHARL:2013:CA3390
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen bewijs van bemiddelingsovereenkomst bij vastgoedtransactie winkelcentrum
In deze civiele procedure stond centraal de vraag of tussen [A] en [gedaagde] een bemiddelingsovereenkomst of overeenkomst van opdracht was gesloten met betrekking tot de aankoop van een winkelcentrum in september 2009. [A] vorderde betaling van een courtage van 1,5% over de koopsom van ruim €13 miljoen. De rechtbank had geoordeeld dat onvoldoende bewijs bestond voor het sluiten van een dergelijke overeenkomst en wees de vordering af.
In hoger beroep voerde [eiser], de rechtsopvolger van [A], onder meer aan dat op basis van getuigenverklaringen en branchegebruik een mondelinge overeenkomst wel was gesloten. Het hof stelde vast dat de verklaringen van partijen en getuigen elkaar tegenspraken en dat geen schriftelijke overeenkomst of bevestiging bestond. De handelingen van [A], zoals het doen van een bod namens [gedaagde] en het overleggen van documenten, waren onvoldoende om te concluderen dat sprake was van een opdracht of bemiddelingsovereenkomst.
Het hof overwoog dat het gerechtvaardigd vertrouwen op het sluiten van een overeenkomst ontbrak, mede omdat [gedaagde] aannemelijk mocht denken dat [A] voor een andere partij, mogelijk de verkoper, optrad. Ook het feit dat [gedaagde] een schikkingsbedrag had aangeboden, werd niet gezien als erkenning van een overeenkomst. De stellingen over branchegebruik werden niet ondersteund door literatuur of jurisprudentie.
De grieven van [eiser] werden ongegrond verklaard en het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank. Tevens werd [eiser] veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Hiermee blijft de afwijzing van de vordering tot betaling van courtage in stand.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vordering tot betaling van courtage af.