ECLI:NL:GHARL:2014:2865

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 maart 2014
Publicatiedatum
8 april 2014
Zaaknummer
P14.27
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38e SrArt. 359 SvWet op de rechterlijke organisatieWet Bijzondere Opneming Psychiatrische Ziekenhuizen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verlenging terbeschikkingstelling wegens kinderporno

De zaak betreft het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 24 december 2013, waarin de verlenging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging werd afgewezen. De terbeschikkinggestelde is veroordeeld voor het bezit en verspreiden van kinderporno. De vraag was of deze gedragingen een misdrijf vormen dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam, waardoor verlenging van de TBS-maatregel mogelijk zou zijn.

Het hof oordeelt dat het bezit en verspreiden van kinderporno, ondanks de onwenselijkheid, niet kwalificeren als een misdrijf gericht tegen de lichamelijke onaantastbaarheid. Ook de bijkomende omstandigheden, zoals het versturen van pornografisch materiaal aan een minderjarige en het zoeken naar seksueel contact, veranderen dit niet. De maximale duur van de terbeschikkingstelling is daarom vier jaar, welke termijn inmiddels is verstreken.

Het hof bevestigt de beslissing van de rechtbank Rotterdam en wijst het beroep van het openbaar ministerie af. Tevens is een voorlopige machtiging op grond van de Wet BOPZ verleend om de terbeschikkinggestelde in een psychiatrisch ziekenhuis te laten verblijven tot de beëindiging van de TBS-maatregel.

Uitkomst: De verlenging van de terbeschikkingstelling wordt afgewezen omdat de maximale termijn van vier jaar is verstreken en kinderporno geen misdrijf is gericht tegen de lichamelijke onaantastbaarheid.

Uitspraak

TBS P14/0027
Beslissing d.d. 27 maart 2014
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van het openbaar ministerie in de zaak tegen
[naam terbeschikkinggestelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
verblijvende in [kliniek].
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 24 december 2013, houdende afwijzing van de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling.
Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:
- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;
- de beslissing waarvan beroep;
- de akte van beroep van het openbaar ministerie van 6 januari 2014 ;
- de aanvullende informatie van [kliniek] van 25 februari 2014, met als bijlage de wettelijke aantekeningen over de periode van week 13 van 2013 tot en met week 3 van 2014;
- de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 9 januari 2014, waarin ten aanzien van de terbeschikkinggestelde een voorlopige machtiging als bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet Bijzondere Opneming Psychiatrische Ziekenhuizen (BOPZ) is verleend.
- de door de raadsvrouw ter zitting overgelegde pleitnota.
Het hof heeft ter zitting van 13 maart 2014 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. J.P.M. Castelein, advocaat te Dordrecht, en de advocaat-generaal mr. J.F.C. Janssen.

Overwegingen:

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsvrouw
De terbeschikkingstelling is op 3 december 2009 ingegaan en daarmee is inmiddels de maximale termijn van vier jaar verstreken. De wet staat daarom een verlenging van terbeschikkingstelling tot dwangverpleging niet toe. De rechtbank en het hof hebben zich in eerste instantie niet uitgelaten over de vraag of het in bezit hebben en verspreiden van kinderpornografie een misdrijf betreft dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. De verlengingsrechter heeft hierover wel een uitspraak gedaan en de Hoge Raad heeft bij beslissing van 12 februari 2013 opgemerkt dat deze daartoe bevoegd is. Op 7 mei 2012 heeft het hof beslist dat het voorhanden hebben en verspreiden van kinderporno geen verlenging rechtvaardigt. Hoewel de standpunten zoals het openbaar ministerie heeft aangevoerd te begrijpen zijn, kunnen deze niet leiden tot een verlenging van de maatregel. [kliniek] heeft vastgesteld dat er geen redenen bestaan om kernpedofilie in de diagnose op te nemen. De terbeschikkinggestelde is voor de huidige terbeschikkingstelling niet veroordeeld voor de ontuchtige handelingen waardoor dit feit niet relevant is voor de vraag wel of er wel of niet sprake is van een gemaximeerde terbeschikkingstelling. De raadsvrouw heeft verzocht de beslissing van de rechtbank te bevestigen.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De rechtbank is in haar beslissing van 24 december 2013 voorbijgegaan aan het feit dat de rechtbank Dordrecht op 22 december 2011 heeft overwogen dat is voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 februari 2013 overwogen dat aan de verlengingsrechter de bevoegdheid toe komt zich opnieuw over de vraag uit te laten of sprake is van een gemaximeerde terbeschikkingstelling. Tegen de beslissing van de rechtbank Dordrecht van 22 december 2011 is geen hoger beroep ingesteld en deze is daarmee onaantastbaar geworden. In het geval het hof van oordeel is dat er sprake is van een gemaximeerde terbeschikkingstelling dient ook rekening gehouden te worden met de overige inhoud van de einduitspraak, het dossier en het verhandelde ter zitting. De terbeschikkinggestelde is reeds eerder veroordeeld voor een
hands onzedendelict. Uit het rapport van de kliniek blijkt dat verdachte nog midden in zijn behandeling zit en dat het recidivegevaar onverminderd hoog is. De kliniek heeft aangifte gedaan van een nieuwe verdenking van kinderporno welke nog in behandeling is. Indien het hof de beslissing van de rechtbank zal bevestigen, zal de afgegeven BOPZ machtiging van 9 januari 2014 inwerking treden. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beslissing van de rechtbank en tot verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.
Het oordeel van het hof
De vraag of de maatregel van terbeschikkingstelling is opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, en aldus de duur van vier jaar kan overschrijden, dient in de eerste plaats te worden beoordeeld door de rechter die de maatregel oplegt. Deze dient zich daar ingevolge artikel 359, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering in de uitspraak expliciet en onder opgave van redenen over uit te laten. Dat is in dit geval niet gebeurd.
De rechtbank Dordrecht heeft in haar verlengingsbeslissing van 22 december 2011 overwogen dat de terbeschikkingstelling is opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Weliswaar is tegen deze beslissing geen hoger beroep ingesteld, maar dat betekent niet dat dit punt bij een volgende verlengingsbeslissing aan het oordeel van de verlengingsrechter zou zijn onttrokken, met name niet in het geval van andersluidende jurisprudentie van deze kamer van het hof of van de Hoge Raad. De rechtbank Rotterdam, waarin de rechtbank Dordrecht per 1 januari 2013 is opgegaan, heeft in haar beslissing van 24 december 2013 de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging gelet op het arrest van dit hof van 7 mei 2012 afgewezen omdat het bezit en het verspreiden van kinderporno niet kunnen worden aangemerkt als misdrijven als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht .
Het hof ziet in het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY8434) geen aanleiding om terug te komen op zijn arrest van 7 mei 2012 (ECLI:NL:GHARN:2012:BW6021). De terbeschikkinggestelde is veroordeeld voor het voorhanden hebben en het verspreiden van kinderporno. Het voorhanden hebben en het verspreiden van kinderporno leveren op zichzelf, hoe onwenselijk dergelijke gedragingen ook zijn, geen handelen op dat gericht is tegen of gevaar oplevert voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.
De bijkomende omstandigheden, zoals genoemd in het veroordelend vonnis van de rechtbank van 6 april 2007, waaronder het versturen van pornografische materiaal aan een 11-jarig meisje, het actief zoeken naar seksueel contact met minderjarige meisjes waarbij dit telkens door omstandigheden buiten de wil van de terbeschikkinggestelde geen doorgang heeft kunnen vinden en de door de advocaat-generaal genoemde eerdere veroordeling van het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige, brengen daarin geen verandering. Het versturen van kinderpornografisch materiaal aan een minderjarige kan wel een aantasting opleveren van de geestelijke integriteit van de ontvanger, maar is niet gericht tegen en veroorzaakt geen gevaar voor de onaantastbaarheid van het lichaam van de ontvanger. Kennelijk heeft de terbeschikkinggstelde wel actief gezocht naar seksueel contact met minderjarigen, maar die gedraging is niet tenlastegelegd, laat staan bewezenverklaard.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de duur van de terbeschikkingstelling in dit geval is gemaximeerd tot vier jaar Nu de maatregel is ingegaan op 21 april 2007, is de maximale termijn van vier jaar inmiddels verstreken en staat de wet de gevorderde verlenging van de maatregel niet toe.
Het hof heeft kennis genomen van de beschikking van 9 januari 2014 van de rechtbank Noord-Nederland waarbij ten aanzien van de terbeschikkinggestelde een voorlopige machtiging op grond van de Wet BOPZ is verleend om hem in een psychiatrisch ziekenhuis te doen verblijven tot en met 8 juli 2014, ingaand op het moment dat de terbeschikkingstelling met dwangverpleging van overheidswege onherroepelijk is beëindigd.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom zal de beslissing, waarvan beroep met overneming van die gronden worden bevestigd.

Beslissing

Het hof:
Bevestigtde beslissing van de rechtbank Rotterdam van 24 december 2013 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde
[naam terbeschikkinggestelde].
Aldus gedaan door
mr E.A.K.G. Ruys als voorzitter,
mr P.R. Wery en mr. J.W. Rijkers als raadsheren,
en dr. A. Verheugt en E.M.M. Mol als raden,
in tegenwoordigheid van B. Moorlag als griffier,
en op 27 maart 2014 in het openbaar uitgesproken.
Mr J.W. Rijkers en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.