Belanghebbende ontving voor het jaar 2006 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, die later werd aangevochten wegens het niet tijdig opleggen binnen de wettelijke termijn. Partijen sloten een vaststellingsovereenkomst waarin werd overeengekomen dat de aanslag na de oorspronkelijke termijn mocht worden opgelegd, mits voor 1 juli 2011. De Inspecteur legde de aanslag uiteindelijk op 20 januari 2012 vast, buiten de wettelijke termijn.
De rechtbank oordeelde dat de aanslag niet tijdig was opgelegd en niet kon worden geconverteerd in een navorderingsaanslag, en gelastte verrekening van de voorlopige aanslag. De Inspecteur stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Het Hof bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de vaststellingsovereenkomst geen aanslag in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is, omdat het een privaatrechtelijke overeenkomst betreft zonder de vereiste kenmerken van een aanslagbiljet.
Verder overwoog het Hof dat navordering op grond van artikel 16, lid 2, onderdeel c, van de AWR niet mogelijk is omdat er geen beschikking om geen aanslag op te leggen is genomen en de onjuistheid niet kenbaar was voor belanghebbende. Het Hof sloot zich aan bij de uitleg dat de aanslag niet kan worden geconverteerd in een navorderingsaanslag. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de Inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.