ECLI:NL:GHARL:2014:5247

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 juli 2014
Publicatiedatum
1 juli 2014
Zaaknummer
200.127.352-01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing buitengerechtelijke incassokosten na prejudiciële vraag Hoge Raad

In deze civiele procedure stond de vraag centraal of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn zonder dat na het versturen van de veertiendagenbrief nog nadere incassohandelingen zijn verricht. De Voorschotbank vorderde betaling van deze kosten van geïntimeerden, welke vordering door de rechtbank werd afgewezen omdat niet was gesteld dat na de aanmaning nog incassowerkzaamheden waren verricht.

Het hof stelde het geding aan de kant in afwachting van een prejudiciële beslissing van de Hoge Raad over de uitleg van art. 6:96 lid 6 BW Pro. De Hoge Raad oordeelde dat de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is indien de schuldeiser in redelijkheid tot incassohandelingen is overgegaan en de veertiendagenbrief aan de consument-schuldenaar is gestuurd, zonder dat nadere incassohandelingen noodzakelijk zijn.

Op grond van deze uitspraak vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank voor zover de buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen en veroordeelde geïntimeerden hoofdelijk tot betaling van deze kosten. Voor het overige werd het vonnis bekrachtigd. Tevens werden de kosten van het hoger beroep aan geïntimeerden opgelegd.

Uitkomst: Het gerechtshof veroordeelt geïntimeerden hoofdelijk tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten conform art. 6:96 lid 6 BW.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.127.352/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/139288/HA ZA 13-52)
arrest van de tweede kamer van 1 juli 2014
in de zaak van
De Nederlandse Voorschotbank B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna:
De Voorschotbank,
advocaat: mr. A.M. van Heest, kantoorhoudend te Rotterdam,
tegen

1.[geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],
hierna:
[geïntimeerde 1],
2. [geïntimeerde 2],
wonende te [woonplaats],
hierna:
[geïntimeerde 2],
geïntimeerden,
in eerste aanleg: gedaagden,
hierna gezamenlijk te noemen:
[geïntimeerden],
niet verschenen.
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 19 november 2013 hier over.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1
De Voorschotbank heeft bij exploot van 28 november 2013 een afschrift van genoemd tussenarrest en een afschrift van haar memorie van grieven betekend aan [geïntimeerden] en daarbij mededeling gedaan van het feit dat de zaak op 17 december 2013 weer op de rol zou staan.
1.2
Op de rol van 17 december 2013 heeft de Voorschotbank een akte na tussenarrest genomen. Daarbij heeft zij het hof verzocht de beslissing in deze zaak aan te houden totdat de Hoge Raad uitspraak zou hebben gedaan naar aanleiding van de prejudiciële vraag die door de rechtbank Gelderland, sector kanton (hierna: de kantonrechter te Arnhem) is gesteld over de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten.
1.3
Vervolgens heeft de Voorschotbank de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1
De Hoge Raad heeft bij beslissing van 13 juni 2014 antwoord gegeven op genoemde prejudiciële vraag van de kantonrechter te Arnhem. Het hof zal daarom thans uitspraak doen.
2.2
[geïntimeerden] hebben kennis kunnen nemen van de gewijzigde eis van de Voorschotbank doordat de Voorschotbank haar memorie van grieven met daarin haar gewijzigde eis alsmede het tussenarrest van het hof aan [geïntimeerden] heeft betekend. [geïntimeerden], die ook nadien niet in de procedure zijn verschenen, hebben geen bezwaar gemaakt tegen de wijziging van eis.
Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Ter zake van de vordering van de Voorschotbank zal derhalve recht worden gedaan op de gewijzigde eis.
2.3
De Voorschotbank heeft twee grieven geformuleerd tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 20 maart 2013. Beide grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten niet voor toewijzing in aanmerking komen omdat niet gesteld is dat de Voorschotbank na het versturen van de aanmaning als bedoeld in art. 6:96 lid Pro 5 [het hof verstaat: lid 6] BW buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht.
2.4
In dit verband is het antwoord dat de Hoge Raad heeft gegeven op de prejudiciële vraag die de kantonrechter te Arnhem in zijn vonnis van 23 oktober 2013 (ECLI:NL:RBGEL:2013:4081) mede naar aanleiding van het arrest van dit hof van
17 september 2013 (ECLI:NL:GHARL:2013:6760) heeft gesteld, van belang.
De prejudiciële vraag luidde als volgt:
"Dient art. 6:96 lid 6 BW Pro aldus te worden uitgelegd dat na het verzenden van de daarin genoemde veertiendagenbrief vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd, dus zonder dat de crediteur na het verzenden van die (veertiendagen) brief nog een nadere incassohandeling verricht?"
2.5
De Hoge Raad heeft als volgt beslist (ECLI:NL:HR:2014:1405):
"beantwoordt de prejudiciële vraag aldus dat art. 6:96 lid 6 BW Pro aldus moet worden uitgelegd dat, indien de schuldeiser in redelijkheid tot het verrichten van incassohandelingen is overgegaan en de daarin genoemde veertiendagenbrief aan de consument-schuldenaar heeft gestuurd, bij uitblijven van de betaling binnen de termijn van veertien dagen de in het Besluit genormeerde vergoeding voor buitengerechtelijke incassohandelingen door de consument-schuldenaar verschuldigd wordt, zonder dat de schuldeiser gehouden is daartoe nog nadere incassohandelingen te verrichten."
2.6
Dat betekent dat de grieven van de Voorschotbank slagen.
Slotsom
2.7
Het vonnis van de rechtbank Groningen van 20 maart 2013 zal worden vernietigd voor zover de vordering ter zake van buitengerechtelijke incassokosten is afgewezen.
Het hof zal, in zoverre opnieuw rechtdoende, [geïntimeerden] hoofdelijk veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.547,12. Voor het overige zal het vonnis worden bekrachtigd.
zullen als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Deze kosten worden wat het salaris voor de advocaat betreft tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Voorschotbank begroot op € 632,- (1 pt tarief I).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt het vonnis van de rechtbank Groningen van 20 maart 2013 ten aanzien van het dictum sub 3.1 en 3.5;
en in zoverre opnieuw recht doende:
veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan de Voorschotbank tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de somma van € 52.215,11 (zegge: tweeënvijftigduizend tweehonderdvijftien euro en elf cent), te vermeerderen met de overeengekomen kredietvergoeding over de hoofdsom van € 50.360,68 vanaf 9 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;
bekrachtigt het vonnis van 20 maart 2013 voor het overige;
veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk in de kosten van de procedure in hoger beroep en begroot deze tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Voorschotbank op € 632,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat en op € 1.960,57 aan verschotten;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mr. M.M.A. Wind, mr. I. Tubben en mr. R.A. van der Pol en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 1 juli 2014.