Belanghebbende kocht in 2006 een kantoorpand aanzienlijk onder de marktwaarde na een tip van zijn schoonvader, die tevens de financiering verzorgde. Het pand werd binnen korte tijd met winst verkocht. De Inspecteur legde een navorderingsaanslag IB/PVV op, omdat het behaalde voordeel als resultaat uit overige werkzaamheden moest worden belast in box 1. Tevens werd een vergrijpboete opgelegd wegens het niet aangeven van dit resultaat.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond. In hoger beroep bevestigde het hof dit oordeel. Het hof achtte aannemelijk dat de aankoop met voorkennis en het oogmerk van winst werd gedaan, dat de lage aankoopprijs en de intentie tot wederverkoop bewezen waren en dat belanghebbende willens en wetens de belasting te laag had vastgesteld.
Het hof verwierp de stellingen van belanghebbende dat het resultaat in box 3 thuishoorde, dat het belastbaar feit zich in 2007 zou hebben voorgedaan en dat de boete onterecht was. De boete van 50% werd passend geacht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.