Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[appellant 1],
2. [appellant 2],
1.Het geding in eerste aanleg
3.De vaststaande feiten
4.De motivering van de beslissing in hoger beroep
grieven I en IIkomen op tegen de gegrondbevinding van het beroep van RVS, het Financieringshuis en HDV op art. 6:89 BW Pro. In de toelichting betogen [appellant 1] en [appellant 2] met een beroep op (onder meer) de arresten van de Hoge Raad van 8 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY4600, ECLI:NL:HR:2013:BX7195 en ECLI:NL:HR:2013:BX7846), kort gezegd, dat dit oordeel onjuist is. RVS, het Financieringshuis en HDV achten het oordeel van de rechtbank juist.
grief IIIkeren [appellant 1] en [appellant 2] zich tegen de toewijzing van de vordering in reconventie. [appellant 1] en [appellant 2] voeren kort gezegd aan dat de rechtbank geen acht heeft geslagen op de bijzondere zorgplicht van banken en dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat voor opzegging van het krediet een voldoende zwaar wegende grond moet bestaan. [appellant 1] en [appellant 2] herhalen verder dat sprake is van overkreditering en dat dat de reden is geweest waardoor zij in financiële problemen zijn geraakt. RVS betwist dit gemotiveerd en wijst er onder meer op dat in de overeenkomsten is voorzien in de mogelijkheid van opzegging en dat de opzegging door RVS tegen 1 oktober 2011 gelet op de achterstanden in betaling en de overige omstandigheden van het geval voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, voor zover dit al aan de orde zou zijn.