ECLI:NL:GHARL:2014:939

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 februari 2014
Publicatiedatum
11 februari 2014
Zaaknummer
200.094.786
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:108 BWArt. 136 Sr
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling bijdrage overlijdensschade na medeplegen moord en nalaten waarschuwing

In deze civiele procedure staat de verdeling van de bijdrageplicht aan de overlijdensschade van de ouders van het slachtoffer centraal. Appellant is veroordeeld voor medeplegen van moord en medeplegen van het verbranden en wegvoeren van het lijk. Geïntimeerde is veroordeeld wegens het opzettelijk nalaten tijdig kennis te geven van een voorgenomen moord, waardoor het misdrijf heeft kunnen plaatsvinden.

Appellant betoogt dat geïntimeerde de schade had kunnen voorkomen door haar kennis te delen met justitie of politie en dat de rechtbank ten onrechte de billijkheidscorrectie in haar nadeel heeft toegepast. Het hof oordeelt dat de veroordeling van geïntimeerde op grond van artikel 136 Sr Pro niet automatisch betekent dat haar nalaten causaal verband houdt met de moord. Appellant heeft onvoldoende feiten aangevoerd om te bewijzen dat de moord voorkomen had kunnen worden.

Het hof bevestigt dat de billijkheidscorrectie terecht is toegepast door de rechtbank, waarbij de ernst van de fouten van partijen wordt meegewogen. Ook als geïntimeerde door waarschuwing de moord had kunnen voorkomen, blijft de verdeling gerechtvaardigd vanwege de ernst van de fout van appellant. Het hoger beroep wordt verworpen en het vonnis van de rechtbank Arnhem bekrachtigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het vonnis van de rechtbank Arnhem wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.094.786
(zaaknummer rechtbank 159170)
arrest van de eerste kamer van 11 februari 2014
in de zaak van
[appellant],
verblijvende te [verblijfplaats appellant],
appellant,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. M.J.J.E. Stassen,
tegen:
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats geïntimeerde],
geïntimeerde,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. C.W. Langereis.

1.Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen (in vrijwaring) van 10 september 2008 en 22 juni 2011 die de rechtbank Arnhem tussen [geïntimeerde] als eiseres en onder meer [appellant] als gedaagde heeft gewezen. Het laatst genoemde vonnis is gepubliceerd onder ECLI:NL:RBARN:2011:BR0798.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 21 september 2011,
- de memorie van grieven,
- de memorie van antwoord,
- de pleitnota's van de op 16 december 2013 gehouden pleidooien.
2.2
Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.

3.De vaststaande feiten

3.1
Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten die de rechtbank in het vonnis van 22 juni 2011 onder 2.1 tot en met 2.5 heeft vastgesteld.
3.2
Voorts staat vast dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, bij arrest van 3 december 2013 (ECLI:NL:GHARL:2013:9212) in de hoofdzaak van deze vrijwaringszaak, te weten tussen [geïntimeerde] en de ouders van [persoon] (de ouders), de vonnissen van de rechtbank Arnhem van 16 april 2008 (ECLI:NL:RBARN: 2008:BC9632) en 13 april 2011 (ECLI:NL:RBARN:2011:BQ1757) heeft bekrachtigd, waarin de rechtbank onder meer tot het oordeel is gekomen dat [geïntimeerde] en haar medegedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door de ouders geleden schade als bedoeld in artikel 6:108 BW Pro.

4.De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1
[appellant] is bij onherroepelijk geworden arrest van 3 december 2004 van het gerechtshof Arnhem veroordeeld voor het medeplegen van de moord op [persoon], alsmede het medeplegen van een lijk verbranden en wegvoeren met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen. Hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaar met tbs. De twee medeplegers van [appellant] zijn voor dezelfde feiten (bij onherroepelijk geworden arresten) eveneens tot gevangenisstraffen veroordeeld. [geïntimeerde] is bij onherroepelijk geworden vonnis van 19 oktober 2004 veroordeeld tot het opzettelijk nalaten op een tijdstip waarop het misdrijf nog kan worden voorkomen, tijdig kennis te geven hetzij aan de ambtenaren van justitie of politie, hetzij aan de bedreigde van kennis die werd gedragen van een voornemen tot het plegen van moord, terwijl het misdrijf is gevolgd. [geïntimeerde] is veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
In dit geding zijn partijen verdeeld over de omvang van hun bijdrageplicht aan de door de ouders geleden schade als bedoeld in artikel 6:108 BW Pro, waartoe zij in de hoofdzaak hoofdelijk aansprakelijk zijn verklaard en hoofdelijk zijn veroordeeld tot betaling.
4.2
De rechtbank heeft in het vonnis van 22 juni 2011, samengevat, [appellant] en zijn twee medeplegers veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen al hetgeen ten laste van [geïntimeerde] is gedelgd in verband met de door de ouders geleden overlijdensschade, met dien verstande dat ieder van hen niet gehouden is aan [geïntimeerde] meer te betalen dan één-derde van voornoemde schuld. De grief van [appellant] is gericht tegen (de overwegingen die hebben geleid tot) voornoemde beslissing van de rechtbank. Tegen het tussenvonnis van 10 september 2008 zijn geen grieven aangevoerd, zodat het hof het hoger beroep in zoverre zal verwerpen.
4.3
[appellant] heeft ter onderbouwing van zijn grief aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft miskend dat het juist [geïntimeerde] is geweest die de schade had kunnen voorkomen. Doordat [geïntimeerde] opzettelijk heeft nagelaten tijdig de ambtenaren van justitie of politie of de bedreigde zelf op de hoogte te brengen van haar kennis over een voorgenomen moord, is de moord gepleegd en is de overlijdensschade ontstaan. Volgens [appellant] heeft de rechtbank dan ook ten onrechte de wijze waarop de moord is gepleegd, doorslaggevend geacht bij de toepassing van de billijkheidscorrectie in het nadeel van [appellant].
[geïntimeerde] heeft onder meer gesteld dat aan het feit dat zij op grond van artikel 136 Sr Pro onherroepelijk is veroordeeld, niet de conclusie kan worden verbonden dat, als zij de kennis waarover zij beschikte wel met justitie, politie of haar vriendin [persoon] had gedeeld, de moord niet zou zijn gepleegd.
4.4
Het hof oordeelt als volgt. Aan de veroordeling van [geïntimeerde] op grond van artikel 136 Sr Pro kan, anders dan [appellant] lijkt te stellen, niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat indien zij niet had nagelaten haar kennis tijdig met justitie, politie of haar vriendin [persoon] te delen, de moord niet zou zijn gepleegd. Voor een veroordeling op grond van artikel 136 Sr Pro is het immers niet noodzakelijk dat vast is komen te staan dat het nalaten in causaal verband staat met het misdrijf. Voldoende is dat het misdrijf is gevolgd. Vaststaat dat [appellant] met twee medeplegers de moord op [persoon] heeft gepleegd. In onderhavige civiele procedure heeft [appellant] onvoldoende feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit kan volgen dat hij de moord niet zou hebben gepleegd - en dus voorkomen zou hebben kunnen worden - indien [geïntimeerde] haar kennis met justitie, politie of haar vriendin [persoon] tijdig had gedeeld. [appellant] wijst in dit verband slechts naar de veroordeling van [geïntimeerde] op grond van artikel 136 Sr Pro. Zijn stelling dat indien [geïntimeerde] tijdig naar de politie zou zijn gegaan het "evident" is dat hij van zijn plannen zou hebben afgezien, heeft [appellant] op geen enkele wijze onderbouwd. Het hof passeert dan ook het bewijsaanbod van [appellant], nu hij onvoldoende heeft gesteld om tot bewijs te kunnen worden toegelaten.
4.5
[appellant] heeft voorts aangevoerd dat [geïntimeerde] voor haar deel van de schade aansprakelijk is, nu zij op grond van artikel 136 Sr Pro is veroordeeld en zij dus de opzet had om na te laten de op handen zijnde moord te verijdelen en de rechtbank dit heeft miskend.
Naar het oordeel van het hof verliest [appellant] hierbij uit het oog dat de rechtbank in haar afwegingen bij het toepassen van de billijkheidscorrectie veronderstellenderwijs van het causaal verband tussen het nalaten van [geïntimeerde] en de moord is uitgegaan. [appellant] heeft geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit kan volgen dat de door de rechtbank toegepaste billijkheidscorrectie niet in stand kan blijven. De grief faalt.
4.6
Het hof merkt (ten overvloede) op dat ook als wordt aangenomen dat [geïntimeerde] door te waarschuwen de moord had kunnen voorkomen, dit niet afdoet aan de ernst van de door [appellant] gemaakte fout in relatie tot het verwijt dat [geïntimeerde] valt te maken. Naar het oordeel van het hof brengt reeds de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten mee dat de billijkheid de door de rechtbank gekozen verdeling eist. Ook indien de wijze waarop de moord is gepleegd buiten beschouwing wordt gelaten, acht het hof deze verdeling op zijn plaats, omdat die verdeling reeds gerechtvaardigd wordt door de uiteenlopende ernst van de door [appellant] en [geïntimeerde] gemaakte fouten.

5.Slotsom

5.1
De grief faalt, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.
5.2
Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 2.682 (3 punten x tarief II) aan salaris advocaat.
5.3
Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
verwerpt het hoger beroep tegen het vonnis van 10 september 2008;
bekrachtigt het vonnis van 22 juni 2011 van de rechtbank Arnhem;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 2.682 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 131, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68 in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;
verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. Ch.E. Bethlem, M.B. Beekhoven van den Boezem en A.S. Gratama en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2014.