De heffingsambtenaar van de gemeente Doetinchem stelde de WOZ-waarde van een semi-bungalow voor het jaar 2013 vast op €281.000, met een bijbehorende aanslag onroerendezaakbelasting (OZB). Belanghebbende betwistte deze waarde en stelde dat de waarde te hoog was, waarna de rechtbank het beroep ongegrond verklaarde. Belanghebbende stelde vervolgens hoger beroep in bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Tijdens de zitting op 5 november 2014 werd vastgesteld dat de woning een half vrijstaande semi-bungalow betreft, gebouwd in 1975, met diverse voorzieningen en goed onderhouden. Het geschil richtte zich op de juiste waardebepaling per peildatum 1 januari 2012. Belanghebbende wees op een vergelijkbare woning aan dezelfde straat die kort na de peildatum voor €225.000 werd verkocht, terwijl de heffingsambtenaar deze verkoopprijs niet in de waardering had betrokken vanwege afwijkingen met andere vergelijkbare woningen.
Het hof oordeelde dat de verkoopprijs van deze zeer vergelijkbare woning een belangrijke indicatie vormt van de waarde in het economische verkeer en dat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt waarom deze prijs buiten beschouwing moest blijven. Ook de overige vergelijkingsobjecten waren minder geschikt. Belanghebbende had evenmin voldoende aannemelijk gemaakt dat de lagere waarde van €265.000 correct was. Het hof stelde daarom de waarde in goede justitie vast op €270.000.
Daarnaast werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende, inclusief griffierechten en een vergoeding voor het taxatierapport en kadastrale kosten, totaal €2.506,90. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en de beschikking van de heffingsambtenaar vernietigd, en de aanslag OZB aangepast aan de nieuwe waarde.