ECLI:NL:GHARL:2015:10175
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Verzoek opheffing en schorsing voorlopige hechtenis afgewezen in zaak bedrieglijke bankbreuk en witwassen
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde een verzoek van verdachte tot opheffing dan wel schorsing van zijn voorlopige hechtenis. Verdachte was veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf voor bedrieglijke bankbreuk, verduistering en witwassen. De rechtbank had eerder de voorlopige hechtenis verlengd en de schorsing opgeheven.
Verdachte verbleef van november 2014 tot augustus 2015 in faillissementsgijzeling, waarvan hij stelde dat deze onrechtmatig was en meegewogen moest worden bij de beoordeling van de voorlopige hechtenis. Het hof verwierp dit argument vanwege het verschillende rechtskarakter van faillissementsgijzeling en voorlopige hechtenis.
Het hof concludeerde dat de gronden voor voorlopige hechtenis nog steeds aanwezig zijn en dat er geen redenen zijn voor schorsing. Ook een schorsing om de opgelegde straf te ondergaan werd afgewezen omdat dit de executiebevoegdheid van het openbaar ministerie zou schenden en onduidelijk is hoe en waar de straf zou worden uitgevoerd.
Daarom wees het hof zowel het primaire verzoek tot opheffing als het subsidiaire verzoek tot schorsing af, conform de artikelen 69 en 80 van het Wetboek van Strafvordering.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte wordt afgewezen.