ECLI:NL:GHARL:2016:4172

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 maart 2016
Publicatiedatum
30 mei 2016
Zaaknummer
21-005128-15-13
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 SvArt. 80 SvArt. 282 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing of schorsing voorlopige hechtenis in hoger beroep

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 23 maart 2016 uitspraak gedaan in een zaak waarin verdachte verzocht om opheffing dan wel schorsing van zijn voorlopige hechtenis. Dit verzoek was niet wezenlijk anders dan eerdere verzoeken die al waren afgewezen. Het hof oordeelde dat het verzoek neerkwam op een herziening van een eerdere beslissing, waarvoor geen nieuwe gronden waren aangevoerd.

Tijdens de raadkamer is vastgesteld dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep was aangevangen en dat de voorlopige hechtenis voortgezet moest worden op grond van artikel 282 Sv Pro. Het hof achtte niet aannemelijk dat verdachte onvoldoende gelegenheid had om zijn hoger beroep inhoudelijk voor te bereiden.

Het hof concludeerde dat de gronden voor voorlopige hechtenis nog steeds aanwezig waren en dat het maatschappelijk en strafvorderlijk belang zwaarder woog dan het persoonlijk belang van verdachte bij schorsing. Tevens werd benadrukt dat faillissementsgijzeling een ander rechtskarakter heeft dan voorlopige hechtenis en niet meetelt voor de duur van de voorlopige hechtenis.

Daarom wees het hof zowel het primaire verzoek tot opheffing als het subsidiaire verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis af en handhaaft de voorlopige hechtenis.

Uitspraak

pkn: 21-005128-15 -13
Het gerechtshof heeft te beslissen op een verzoek, vervat in een verzoekschrift van
21 maart 2016, ingekomen ter griffie van het hof op 21 maart 2016, namens de verdachte,
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1949] ,
verblijvende in [P.I. verblijfplaats] ,
tot opheffing dan wel schorsing van het tegen die verdachte rechtens gegeven en nog van kracht zijnde bevel tot voortduren van de voorlopige hechtenis.
Het hof heeft gehoord in raadkamer van heden de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door mr. drs. M.J.N. Vermeij, advocaat te 's-Gravenhage.

OVERWEGINGEN:

Het hof constateert dat het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte in de kern genomen niet wezenlijk afwijkt van de eerdere verzoeken waarop de raadkamer van het hof op 23 december 2015 en laatstelijk het hof naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 februari 2016 op 26 februari 2016 heeft beslist. Het onderhavige verzoek komt in feite neer op een verzoek tot herziening van laatstgenoemde beslissing. Nog daargelaten of dat formeel kan, ziet het hof in hetgeen verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht geen termen om op die beslissing terug te komen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is aangevangen, dat die beslissing naar aanleiding van dat onderzoek ter terechtzitting is genomen en dat de daaruit voortvloeiende voorzetting van de voorlopige hechtenis wordt beheerst door het bepaalde in artikel 282 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Het hof acht overigens niet aannemelijk geworden dat verdachte in voorlopige hechtenis onvoldoende in de gelegenheid zou zijn de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep voor te bereiden.
Het hof is na onderzoek geleken dat de gronden waarop het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte berust, nog steeds aanwezig zijn en dat na afweging van de betrokken belangen het maatschappelijk en strafvorderlijk belang bij voortzetting van de voorlopige hechtenis zwaarder moet wegen dan het persoonlijk belang van verdachte bij schorsing daarvan, zodat zowel het primaire verzoek tot opheffing als het subsidiaire verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte moet worden afgewezen.
In aansluiting op de overweging in zijn beslissing van 21 oktober 2015 dat een faillissementsgijzeling een ander rechtskarakter heeft dan voorlopige hechtenis en daarom niet in mindering kan worden gebracht op de tenuitvoerlegging van een nog op te leggen vrijheidsstraf, merkt het hof op dat de faillissementsgijzeling gedurende de tijd dat de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst is geweest, gezien dat andere rechtskarakter niet kan worden gezien als voorlopige hechtenis en dat deze daarom buiten beschouwing wordt gelaten bij de vraag hoe lang de voorlopige hechtenis van verdachte heeft geduurd.
Het hof heeft gelet op het bepaalde in de artikelen 69, 80 e.v., 282 van het Wetboek van Strafvordering.

BESLISSING:

Het hof wijst het primaire en subsidiaire verzoek af.
Aldus gegeven op 23 maart 2016 door mr. E.A.K.G. Ruys, voorzitter,
mr. B.F.A. van der Krabben en mr. M.M.L.A.T. Doll, raadsheren, in tegenwoordigheid
van Y.E. Markerink-van Dorst, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.