Belanghebbende was in 2009 betrokken bij een langdurige echtscheidingsprocedure met zijn vrouw, waarbij de echtscheiding uiteindelijk in 2009 werd ingeschreven in het register van de burgerlijke stand. Het geschil betrof de fiscale behandeling van de aftrek van rente en kosten van de eigen woning en de aftrek van kosten van levensonderhoud van de vrouw, alsmede het recht op alleenstaande ouderenkorting.
De Inspecteur stelde dat belanghebbende het gehele jaar 2009 als gehuwd moest worden aangemerkt, terwijl het hof oordeelde dat belanghebbende vanaf het moment van inschrijving van de echtscheiding in 2009 fiscaal als ongehuwd moest worden beschouwd. Hierdoor kon niet het volledige bedrag aan rente en kosten eigen woning worden afgetrokken, maar slechts naar rato van het aandeel in de woning.
Belanghebbende voerde subsidiair aan dat hij in de periode dat hij duurzaam gescheiden leefde kosten van levensonderhoud voor zijn vrouw betaalde, die als persoonsgebonden aftrek in aanmerking moesten worden genomen. Het hof oordeelde echter dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat hij duurzaam gescheiden leefde in de relevante periode, mede omdat hij geen concrete gegevens had verstrekt en de feitelijke samenwoning en sociale contacten met de vrouw bleven bestaan.
Ook het verzoek om alleenstaande ouderenkorting werd afgewezen, omdat belanghebbende gedurende het jaar een AOW-uitkering voor gehuwden met partnertoeslag ontving en geen recht had op een AOW-uitkering voor alleenstaanden. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.