ECLI:NL:GHARL:2015:2540

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 april 2015
Publicatiedatum
7 april 2015
Zaaknummer
200.123.934
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 235 RvArt. 843a RvArt. 337 lid 2 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke zekerheidsstelling bij tenuitvoerlegging proceskostenveroordeling in incident

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 7 april 2015 uitspraak gedaan in een incidentprocedure betreffende een arrest van 10 maart 2015. Gedaagden betoogden dat het arrest kennelijke fouten bevatte en verzochten tevens om aan de proceskostenveroordeling een voorwaarde van zekerheidsstelling te verbinden.

Het hof oordeelde dat er geen kennelijke fouten in het arrest aanwezig waren. De vorderingen waarop het arrest was gebaseerd waren voldoende toegelicht en concreet gemaakt. De kostenveroordeling was volgens vaste rechtspraak ambtshalve toegestaan en terecht opgelegd aan [partijnaam 1] en [partijnaam 2].

Ten aanzien van het verzoek om een zekerheidsstelling te verbinden aan de tenuitvoerlegging van de proceskostenveroordeling in het incident, overwoog het hof dat dit naar analogie van artikel 235 Rv Pro mogelijk is. Dit omdat het arrest ten uitvoer kan worden gelegd terwijl tegen de toewijzing van de vordering ex artikel 843a Rv nog geen rechtsmiddel openstaat.

Het hof besloot daarom aan de tenuitvoerlegging van het dictum onder 3.6 van het arrest de voorwaarde te verbinden dat Het Restauratiehuis vooraf zekerheid stelt, voor zover de tenuitvoerlegging plaatsvindt voordat in de hoofdzaak het eindarrest is gewezen. Het overige verzoek werd afgewezen.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot verbetering af en verbindt een voorwaardelijke zekerheidsstelling aan de tenuitvoerlegging van de proceskostenveroordeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.123.934
beslissing op verzoek ex artikel 31 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering, alsmede op het verzoek om aan de proceskostenveroordeling in het incident alsnog een voorwaarde van zekerheidsstelling te verbinden
Het hof heeft in de zaak [partijnaam 1] en [partijnaam 2]/Het Restauratiehuis op 10 maart 2015 arrest in het incident gewezen.
Het hof heeft kennis genomen van een verzoek van mr. M.H.G. Plieger bij brief van 18 maart 2015 namens [partijnaam 1] en [partijnaam 2] om kennelijke fouten te verbeteren, alsmede een verzoek om aan de proceskostenveroordeling in het incident alsnog een voorwaarde van zekerheidsstelling te verbinden.
Het Restauratiehuis is in de gelegenheid gesteld op dit verzoek te reageren. Deze heeft bij brief van mr. E.J. Nieuwenhuys van 24 maart 2015 gereageerd. Mr. Plieger voornoemd heeft daarop dezelfde dag “gerepliceerd”, waarna mr. Nieuwenhuys voornoemd op 25 maart 2015 heeft aangegeven te menen dat het debat met de eerste ronde reeds gesloten was.
Het hof oordeelt als volgt.
Ten onrechte menen [partijnaam 1] en [partijnaam 2] dat de toewijzing onder 3.1 sub f niet zou berusten op een daartoe gerichte vordering. De bedoelde vordering is vermeld (en toegelicht) op p. 6 bovenaan van de incidentele memorie van Het Restauratiehuis. De enkele omstandigheid dat de bedoelde stukken door Het Restauratiehuis niet met een afzonderlijke letter zijn aangeduid, doet daaraan niet af.
Dat het hof onder 3.1 sub h en i [partijnaam 1] en [partijnaam 2] heeft veroordeeld tot het overleggen van bankafschriften, betekent evenmin dat meer is toegewezen dan gevorderd. Het Restauratiehuis had gevorderd “opgave van de rekening waarvan betaald is en van wie de gelden op die rekening afkomstig zijn”. Het hof heeft dit onderdeel van de vordering slechts geconcretiseerd.
Volgens vaste rechtspraak vindt een kostenveroordeling ook ambtshalve plaats. [partijnaam 1] en [partijnaam 2] zijn in het incident vrijwel volledig in het ongelijk gesteld. Hun veroordeling in de kosten van het incident is dus geen fout.
Ook uit hetgeen [partijnaam 1] en [partijnaam 2] overigens aanvoeren, kan niet volgen dat sprake is van een bij bedoeld arrest gemaakte kennelijke fout.
[partijnaam 1] en [partijnaam 2] hebben verder nog verzocht om alsnog aan de proceskostenveroordeling in het incident een voorwaarde van zekerheidsstelling te verbinden. Naar analogie van artikel 235 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is dat mogelijk. Voor die analogie bestaat grond omdat het arrest thans ten uitvoer kan worden gelegd, terwijl tegen de toewijzing van de vordering ex artikel 843a Rv nu nog geen rechtsmiddel kan worden aangewend (artikel 337 lid 2 Rv Pro).
Het hof ziet grond om inderdaad alsnog aan de tenuitvoerlegging van het dictum onder 3.6 de voorwaarde te verbinden dat Het Restauratiehuis voorafgaand zekerheid stelt, alles voor het geval tenuitvoerlegging plaatsvindt voorafgaand aan het eindarrest.

Beslissing

Het hof:
verbindt aan de tenuitvoerlegging van het dictum onder 3.6 van het arrest in het incident van 10 maart 2015 de voorwaarde dat Het Restauratiehuis voorafgaand zekerheid stelt, voor zover die tenuitvoerlegging plaatsvindt voordat in de hoofdzaak eindarrest is gewezen;
wijst het verzochte voor het overige af.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, H.E. de Boer en J.G.J. Rinkes en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 april 2015.