Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Emmen(hierna: de Inspecteur).
1.Ontstaan en loop van het geding
2.De vaststaande feiten
44.500 +
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende had in 2007 een herinvesteringsreserve (HIR) gevormd van €4.661.399 naar aanleiding van de verkoop van oude onroerende zaken. In 2008 kocht belanghebbende nieuwe onroerende zaken en vond een aandelenoverdracht plaats aan een derde partij. De vraag was of de HIR met toepassing van artikel 12a Wet Vpb tot de belastbare winst van 2008 moest worden gerekend.
De rechtbank had het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, waarna hoger beroep werd ingesteld. Het hof stelde vast dat de herinvestering materieel had plaatsgevonden vóór de belangenwijziging en dat de HIR op dat moment niet meer bestond. Dit zou normaal gesproken betekenen dat de reserve niet vrijvalt.
Echter, het hof oordeelde dat er sprake was van een samenstel van rechtshandelingen met als doorslaggevend oogmerk het ontgaan van de wettelijke regeling van artikel 12a Wet Vpb (fraus legis). De tijdsvolgorde van de transacties en de betrokkenheid van een professionele bemiddelaar wezen hierop. Belanghebbende kon geen ander zakelijk doel aantonen. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.