In deze zaak gaat het om een geschil tussen een makelaar en opdrachtgevers over de betaling van courtage na tussentijdse opzegging van een opdracht. De makelaar had de opdracht om de verkoop van een agrarisch bedrijf te begeleiden en een vervangend bedrijf aan te kopen. De verkoop werd gerealiseerd, maar de aankoop van het vervangend bedrijf vond plaats zonder betrokkenheid van de makelaar.
De rechtbank had de opdrachtgever veroordeeld tot betaling van een deel van de gevorderde courtage, maar het hof vernietigt dit vonnis en komt tot een nieuwe beoordeling. Het hof stelt vast dat de opdracht voor de aankoop stilzwijgend is beëindigd begin 2008 en dat de makelaar recht heeft op een naar redelijkheid vastgesteld loon voor de verrichte werkzaamheden.
Het hof weegt verschillende omstandigheden mee, zoals de duur van de werkzaamheden, het niet vinden van een vervangend bedrijf door de makelaar, en de betrokkenheid bij de verkoopakte. Uiteindelijk bepaalt het hof dat een redelijk loon €17.500 exclusief BTW bedraagt, met wettelijke rente vanaf 29 augustus 2013. De vordering voor buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen. De proceskosten worden grotendeels gecompenseerd, met uitzondering van de comparitiekosten die de makelaar moet dragen.